trail.cam

Das herkennen: burcht, sporen en gedrag op de wildcamera

Een das met een wit, zwart gestreept gezicht komt in de avondschemering naar buiten uit de ingang van zijn burcht in het bos.

De das is het grootste roofdier dat de meeste mensen nooit in het echt zien. Hij is het zwaarste lid van de marterfamilie in de Lage Landen, en tegelijk zo schuw en zo nachtelijk dat een das in het wild spotten eerder geluk dan vaardigheid is. Wie wil weten of er dassen in de buurt leven, kijkt daarom niet naar het dier maar naar wat het achterlaat: een reusachtige burcht met verse zandhopen, een prent met vijf tenen, kleine mestputjes langs een uitgesleten pad — en, steeds vaker, een reeks nachtelijke opnamen op een wildcamera bij het hol.

Dat is meteen de kern van dassen herkennen. Je leest de das, je ziet hem niet. En de goede nieuwsberichten zijn dat zijn sporen groot, karakteristiek en talrijk zijn: geen enkel ander inheems dier bouwt zulke burchten, en geen enkel hondachtig zet vijf tenen in de modder. Deze gids loopt de kenmerken langs die er echt toe doen — de burcht, de prent, de mestputjes en wissels, en het gedrag dat een camera ’s nachts vastlegt — en behandelt de vraag die elke grondeigenaar vroeg of laat stelt: wat mag en moet er met een beschermde das op je terrein?

De das zelf: gedrongen, zwart-wit en gebouwd om te graven

Zie je toch een das — op de camera, of in de vroege schemering — dan is hij nauwelijks met iets anders te verwarren. Het is een fors, gedrongen dier met korte poten, een korte brede staart en een kop-romplengte van 65 tot 80 cm; in Nederland weegt een das tussen de 6,6 en 16,7 kilo, waarbij de mannetjes (beren) zwaarder en breder zijn dan de vrouwtjes (zeugen). Vlaamse bronnen geven vergelijkbare maten: zo’n 70 tot 80 cm, met vrouwtjes van 7 tot 14 en mannetjes van 9 tot 17 kilo, en een schouderhoogte van amper 30 cm. Richting de winter neemt dat gewicht flink toe, want de das legt een vetlaag aan om de koude maanden door te komen.

Het handelsmerk is de kop. Wit, met twee brede zwarte strepen die vanaf het achterhoofd over de oren en de ogen lopen en in een punt eindigen bij de mondhoeken. De oren zijn klein en zwart met een witte rand, de rug en flanken zwart-grijs, de onderzijde en poten donker. Onder de staart zitten geurklieren die een muskusachtige stof afgeven — het parfum waarmee de hele clan zich merkt. En dan de poten: stevige tenen met lange, gekromde nagels, perfect gereedschap om een ondergronds kasteel uit te graven. Volgens de Zoogdiervereniging is de das dan ook de grootste van onze marterachtigen, groter dan otter, boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel.

Die zwart-witte koptekening is trouwens geen toeval. Het is een waarschuwing: ik ben sterk en ik heb geduchte wapens, laat me met rust. Andere dieren begrijpen de boodschap. Een vos — bovengronds sneller en behendiger — loopt liever met een boog om de twee tot drie keer zo zware das heen.

Een das loopt over een bemost bospad, met zijn grijs-zwarte vacht en gedrongen lijf goed zichtbaar.

De burcht: het grootste bouwwerk in het bos

Als er één spoor is dat een das onmiskenbaar maakt, is het zijn burcht. Geen enkel ander inheems dier graaft zoiets. Een dassenburcht is een ondergronds gangenstelsel met kamers, waarbij de gangen (pijpen) een doorsnede van ongeveer 30 cm hebben en de kamers zo’n 50 cm tot een meter. De das brengt zo’n tweederde van zijn leven onder de grond door en is er voortdurend aan het verbouwen; vooral in de herfst grijpt de graafkoorts om zich heen. Bij het graven duwt hij de aarde achterwaarts naar buiten, waardoor voor de ingangen grote zandhopen ontstaan — stortbergen, sommige met een inhoud van wel 35 kubieke meter. Kenmerkend is de afvoergeul die van de ingang over de stortberg loopt: die voert regenwater af zodat het puin niet terugspoelt de burcht in.

Juist die stortbergen met gemorst nestmateriaal onderscheiden een dassenburcht van een vossenhol. Een vos maakt er een bende van, sleept prooiresten naar binnen en laat het stinken; een das houdt zijn burcht schoon, doet zijn behoefte buiten en verslept vers gras, mos, bladeren en varens naar binnen om de kamers te bekleden. Rond een bewoonde burcht zijn vaak nog twee dingen te vinden: een krabboom, waar de dassen hun nagels aan slijpen — zoals een kat, maar dan met nagels die ze niet kunnen intrekken — en, als er jongen zijn, een speelboom waar de bosbodem rondom is ‘schoongeveegd’ door het rennen.

De grootte varieert enorm, van één enkel hol tot meer dan 120, en een oude hoofdburcht kan een hele hectare beslaan. Wat die grootte bepaalt, is niet zozeer het aantal dassen als wel de ouderdom, de graafbaarheid van de bodem en de ligging. En dassenburchten worden óud. In het Duitse Pisede bleek een burcht af en aan bewoond sinds het einde van de laatste ijstijd, zo’n 12.000 jaar geleden; in Brabant liggen burchten die enkele eeuwen oud zijn. Een das erft zijn huis, hij bouwt het zelden helemaal nieuw — een verlaten burcht blijft zelfs na tientallen jaren herkenbaar en kan opnieuw bezet raken.

Voor wie wil weten wáár zulke burchten liggen: de das kiest bij voorkeur een helling in een bosrand, houtwal of brede heg, dicht bij gras- en akkerland en water. De ondergrond moet goed te graven zijn — zand of löss — met een grondwaterstand van minstens anderhalve meter onder maaiveld, zodat het hol niet onderloopt; klei- en veenbodems zijn ongeschikt. Een review in Lutra van 96 studies uit 18 Europese landen vatte het bondig samen: waar dassen voorkomen, wordt vooral bepaald door het voedselaanbod en het bodemtype — een gevarieerd landschap met bos om zich te verschuilen en regenwormrijk grasland om te eten.

Naast de hoofdburcht kent een clan nog andere holen. Praktijkmensen onderscheiden er vier: de hoofdburcht (groot, het hele jaar bewoond, waar de jongen worden geboren), de wisselburcht (die de rol van hoofdburcht overneemt als die tijdelijk leegstaat), de bijburcht (kleiner, voor het gemak of als het mannetje in het voorjaar het territorium bewaakt) en de vluchtpijp, een simpel ondiep hol om bij gevaar in te schieten. In Vlaanderen wordt een vergelijkbare indeling gehanteerd, met bijburchten op hooguit 100 tot 150 meter van de hoofdburcht.

Een dassenburcht is geen hol maar een familie-archief: soms al sinds de laatste ijstijd bewoond, generatie na generatie uitgegraven.

Sporen lezen: de prent met vijf tenen

De pootafdruk is het spoor dat de meeste verwarring geeft — en historisch de das de meeste ellende heeft bezorgd. Omdat zijn prent vrij groot is, kreeg het grootste landroofdier van Nederland eeuwenlang de schuld van schade die honden en vossen aanrichtten, en werden dassen massaal gedood voor doodgebeten schapen of aangevreten pluimvee. Onterecht, want het onderscheid is met één blik te maken: tel de tenen.

Een das zet vijf tenen af; een hond en een vos hebben er vier. De dassenprent heeft een breed, niervormig middenvoetkussen met daarboven vijf teenkussens in een flauwe boog, en de zware, lange nagels drukken duidelijk mee af — bij de voorvoet horen nagels tot wel 3 cm. De afdruk is ongeveer 5 tot 5,5 cm breed en zo’n 5 cm lang. Een hondenprent is ronder met vier tenen dicht bij een hartvormig kussen; een vossenprent is slanker, ook met vier tenen. In de taal van spoorzoekers heet de dassenformule V5(4)a5(4)ns: vijf tenen voor en achter, al drukt vooral de kleine binnenteen (teen 1) regelmatig niet af — dan zie je er vier. Dat is de enige valkuil om te onthouden: mis je een teen, tel dan nog eens, want vier duidelijke tenen met een niervormig kussen en forse nagels is nog altijd een das, geen hond.

Kijk vervolgens naar de manier van lopen. Anders dan alle andere marterachtigen springt de das niet met de typische martersprong, maar loopt of draaft hij schommelend. In een reeks prenten — een loopspoor — plaatst de das zijn achtervoet vaak precies op of vlak bij de plek van de voorvoet, en bij een rustig lopende volwassen das ligt de afstand tussen twee afdrukken van dezelfde voet rond de 50 tot 60 cm. Dassen zijn bovendien gewoontedieren die graag bestaande paadjes gebruiken; in rulle of modderige grond, of in verse sneeuw, tekent zo’n loopspoor zich over meters af.

Vier tenen is een hond of een vos. Vijf tenen, in een boog boven een niervormig kussen, is bijna altijd een das.

Mestputjes, wissels en wroetgaatjes

Een grote dassenburcht tegen een beboste helling, met meerdere ingangen en forse stortbergen van uitgegraven zand.
Naast elkaar: een brede dassenprent met vijf tenen en lange klauwsporen, en een smallere vossenprent met vier tenen.

Naast de burcht en de prent laat de das een reeks kleinere sporen na die samen een betrouwbaar beeld geven. Vier zijn er de moeite waard om te leren herkennen.

Mestputjes. Dassen doen hun behoefte niet zomaar ergens, maar in kleine, 10 tot 15 cm diepe kuiltjes die ze na gebruik niet dichtmaken. Zo’n verzameling putjes heet een latrine, en die ligt op strategische plekken: op de burcht, in het foerageergebied, bij landschapselementen en vooral langs de territoriumgrens — bijna 70 procent van de latrines ligt op de grens. In die putjes zit niet alleen mest maar ook een geurstof uit de anaalklieren, waarmee de clan zijn gebied afbakent. Een das van buitenaf ruikt zo precies waar hij aan de rand van andermans territorium komt.

Wissels. Omdat dassen altijd dezelfde route lopen, slijten hun paden diep uit tot goed zichtbare wissels van zo’n 20 tot 30 cm breed, die van de burcht naar de foerageergebieden leiden. Een wissel die dood lijkt te lopen op een steilrandje of een sloot eindigt vaak bij een burchtingang.

Wroetgaatjes. Op zoek naar wormen, kevers en larven graaft de das met zijn voorpoten kleine putjes met een ruw, gerafeld randje — wroetgaatjes. Grotere graafsporen ontstaan waar hij een wespennest uitgraaft of een koeienvlaai omkeert op zoek naar mestkevers; die zijn kleiner dan de omgewoelde plekken van een wild zwijn.

Haren en krabsporen. Op prikkeldraad boven een wissel blijven vaak rugharen hangen: dikke, stroeve, 7 tot 10 cm lange haren die driekleurig zijn — gebroken wit bij de basis, dan een zwarte band, en zilvergrijs aan de punt. En op boomstammen bij de burcht zijn krabsporen te vinden, waar de das zijn nagels scherpt en tegelijk geur afzet.

Gedrag: een nachtdier in een clan

De das is een uitgesproken nachtdier dat pas in de avondschemering zijn burcht verlaat en tegen de ochtend terugkeert. Op ongestoorde plekken komt hij wat vroeger tevoorschijn, maar overdag slaapt hij ondergronds, in groepjes bij elkaar. Hij houdt geen echte winterslaap; in koude perioden is hij wel veel minder actief en blijft hij soms dagenlang in de burcht op zijn vetreserves teren.

Anders dan lang werd gedacht, is de das geen kluizenaar. Hij leeft in een familiegroep — een clan — met een dominant mannetje en een dominant vrouwtje, en die clan telt doorgaans drie tot zes dieren, al kan het er in Nederland gemiddeld drie of vier zijn en in uitzonderlijke gevallen wel een stuk of twaalf. In de regel krijgt alleen het dominante vrouwtje jongen. Alle leden delen dezelfde geur, doordat ze elkaar voortdurend stempelen met het secreet uit hun anaalklieren; die gemengde clangeur bepaalt wie erbij hoort en wie een indringer is. Een das die twee weken uit de groep is, ruikt al zo anders dat hij niet meer wordt geaccepteerd.

Wat een wildcamera bij de burcht laat zien, is een vast avondritueel. Eerst komen de dassen boven de grond hun vacht verzorgen — minutenlang krabben met de lange nagels als een kam, waarbij ze soms op hun achterwerk gaan zitten om over hun buik te krabben, een beeld dat de das de bijnaam “Nederlandse panda” heeft opgeleverd. Daarna is het tijd voor spel, vooral bij de jongen en de jaarlingen. Pas dan trekken de dieren er alleen op uit om te foerageren; het groepsleven speelt zich af op de burchtsite, de voedseltochten maakt ieder voor zich.

Dat foerageren draait om regenwormen. Ze vormen het stapelvoedsel — in sommige gebieden bijna 90 procent van het menu — en de das zoekt ze ’s nachts in kort begraasd, vochtig weiland, aangevuld met kevers, larven, slakken, muizen, en naar het seizoen valfruit, maïs en granen. Een das eet zo’n 400 tot 600 gram per dag en is daar vaak uren mee bezig. En één detail is goud waard bij het lezen van een burcht: in tegenstelling tot de vos brengt een das nooit voedsel naar het hol, ook niet als er jongen zijn — bij een dassenburcht vind je dus geen prooiresten.

Een mestputje van een das: een klein gegraven kuiltje in de bosbodem naast een uitgesleten pad.
Een das snuffelt 's nachts met zijn snuit door de bladeren op de bosbodem, op zoek naar voedsel.

Waarom de jongen pas in het voorjaar op de camera verschijnen

Weinig aan de das is zo eigenaardig als zijn voortplanting, en het verklaart precies wanneer een wildcamera de eerste jonge dasjes vastlegt. Dassen kunnen bijna het hele jaar door paren, met een piek rond februari, maar de bevruchte eicel nestelt zich niet meteen in. Het embryo groeit tot een klein blastocyst en blijft daarna maandenlang — tot meer dan een half jaar — vrij in de baarmoeder zweven. Pas in december, vermoedelijk gestuurd door de kortere dagen, vindt de innesteling plaats, waarna de jongen zich in zo’n zeven weken ontwikkelen. Deze uitgestelde implantatie zorgt ervoor dat de jongen vroeg in het jaar worden geboren, in februari of maart, wanneer ze de meeste kans hebben om de volgende winter te halen.

Een worp telt gemiddeld twee of drie jongen, soms tot vijf. De eerste weken blijven ze diep in de kraamkamer; pas na zo’n zes tot negen weken wagen ze zich boven de grond, eerst kort en schuw, later steeds brutaler, tot de moeder ze meeneemt op haar voedseltochten en ze vanaf de zomer alleen op pad gaan.

Dat maakt het voorjaar het spannendste seizoen voor de camera bij de burcht — en de precieze timing zegt iets over het weer. Bij Norg in Drenthe legde een wildcamera in 2020 een jonge das vast die al op 7 april bovengronds kwam, terwijl de eerste jongen normaal rond 20 april verschijnen; nooit eerder was er in Drenthe een jong zo vroeg gezien. Onderzoeker Aaldrik Pot van de Dassenwerkgroep Drenthe verbond dat aan de uitgestelde innesteling: “Mogelijk dat het onder invloed van de zachte winter eerder is gebeurd dan normaal”.

De das komt pas boven de grond als het donker is — dus wie zijn gedrag wil zien, moet de nacht laten filmen.

De das op de wildcamera: van hobby tot serieuze monitoring

Juist omdat de das zo schuw en zo nachtelijk is, is de wildcamera het geduldigste instrument dat er voor bestaat. Een camera wordt nooit moe en hangt gewoon te wachten tot er iets op de burcht gebeurt, precies op het moment dat de das actief is en de waarnemer in bed ligt. Dassentellen blijft lastig werk, maar met camera’s is het te doen: de Dassenwerkgroep Twente zet er al gauw vier tot acht per burcht in om alle ingangen te dekken, en bewaakt meerdere burchten tegelijk om te voorkomen dat hetzelfde dier dubbel wordt geteld. In Utrecht en ’t Gooi volgt Hans Vink de plaatselijke populatie al meer dan veertig jaar, onder andere met wildcamera’s.

De techniek gaat inmiddels verder dan tellen. Aan de Rijksuniversiteit Groningen loopt onderzoek waarbij zelflerende software soorten — waaronder de das — automatisch uit videobeelden haalt, en zelfs afzonderlijke individuen leert herkennen aan hun kop; een vorm van gezichtsherkenning die het mogelijk maakt om één specifieke das te blijven volgen. Voor wie een camera bij een burcht hangt, verschuift het werk daarmee van “waren er dassen?” naar “welke das, hoe vaak, en wanneer?”.

Een wildcamera legt trouwens niet alleen dassen vast. In het Brabantse Escharen werden in 2017 alle vier de pijpen van een kraamburcht — waar het jaar ervoor nog drie jongen waren geboren — met een schop dichtgemaakt. Nadat er wildcamera’s op de burcht waren geplaatst, kon de dader worden aangehouden: geconfronteerd met de beelden bekende de man, en hij werd door boa’s vermanend toegesproken. Een camera is bij de streng beschermde das dus niet alleen een venster op gedrag, maar soms ook bewijsmateriaal. Een wildcamera plaatsen voor beginners: hoogte, hoek en richting

Twee dassen bij de ingang van hun burcht in de avondschemering; één zit op zijn achterwerk en krabt zijn vacht.
Twee jonge dasjes wagen zich voorzichtig net buiten de ingang van de burcht in het voorjaar.

Streng beschermd — ook de lege burcht

De das is in Nederland en Vlaanderen wettelijk beschermd, en dat is niet vanzelfsprekend op een continent waar dat de uitzondering is. Een Europese studie uit 2022 bracht de juridische status in kaart: rond medio 2020 werd de das op 69,3 procent van het continent bejaagd, en was hij op slechts 30,7 procent van zijn Europese areaal streng beschermd; in negentien landen staat hij op een rode lijst. Nederland en Vlaanderen horen bij de strikte minderheid. In België is de jacht op de das al sinds 1973 beperkt.

In Nederland valt die bescherming sinds 1 januari 2024 onder de Omgevingswet, waarin de das is opgenomen. Cruciaal is dat niet alleen het dier zelf beschermd is, maar ook zijn burcht als voortplantings- en verblijfplaats. De officiële Soortenstandaard omschrijft een beschermde burcht als een burcht met tekenen van recent gebruik, óf een onbewoonde burcht die tot maximaal vijf jaar geleden nog als bewoond is vastgesteld en in een bestaand territorium ligt. Met andere woorden: ook een verlaten burcht blijft jarenlang beschermd. (De juridische term en het “Nee, tenzij”-kader in die Soortenstandaard stammen nog uit 2012, uit de toenmalige Flora- en faunawet; het beschermingsprincipe zelf geldt onverkort onder de huidige Omgevingswet.)

Dat het geen papieren bescherming is, blijkt uit de handhaving. De Dassenwerkgroep Brabant houdt een lopende lijst bij van burchtverstoringen — achttien alleen al in de periode vanaf 2015 — variërend van onwetend ploegen en klepelen tot moedwillig dichtgooien met een schop, soms midden in de kraamperiode. Ook elders duikt vervolging op: in 2022 werd zelfs op de Veluwe een geschoten das gevonden. Berichten over een “dassenplaag” overdrijven volgens Zodion zwaar; omdat er bovendien een schadevergoedingsregeling bestaat voor de beperkte schade die dassen aan bijvoorbeeld maïs aanrichten, mist een oproep tot ingrijpen grond.

In Vlaanderen is de das strikter beschermd dan in Nederland. Het agentschap Natuur en Bos plaatst hem op de Vlaamse Rode Lijst als “bedreigd”, en in het Soortenbesluit staat hij in categorie 1 (beschermd); hij is uitdrukkelijk geen jachtwild. Juist het wettelijke verbod om in en rond burchten te jagen wordt gezien als een sleutel voor de voorzichtige terugkeer van de das in Vlaanderen.

Zelfs een verlaten burcht blijft beschermd — tot vijf jaar nadat de laatste das is vertrokken.

Verkeer: de grootste bedreiging, en wat helpt

Zwart-witte nachtopname van een wildcamera: een das loopt langs de ingang van een burcht, met oplichtende ogen.

De das heeft geen natuurlijke vijanden. Zijn grootste bedreiging is het verkeer. In Nederland sterven jaarlijks ongeveer 700 dassen op de weg, en daarnaast verdrinken dieren in kanalen met steile, beschoeide oevers waar ze niet meer uit komen. In Utrecht-’t Gooi ligt de jaarlijkse sterfte naar schatting rond 26 procent, waarvan ongeveer tweederde door weg- en treinverkeer. In Vlaanderen is het beeld nog scherper: een jong dier dat op zoek gaat naar nieuw leefgebied komt gemiddeld om de 300 meter een weg tegen, vaak met fatale gevolgen.

Tegen die achtergrond is er een heel arsenaal aan maatregelen ontwikkeld, en de Dassenwerkgroep Brabant beschrijft ze uitvoerig. Langs wegen komen dassenrasters van verzinkt gaas, een meter boven de grond en twintig centimeter ingegraven, met onderaan nog een horizontale strook tegen ondergraven. Om het leefgebied niet te versnipperen worden dassentunnels aangelegd, bij voorkeur precies op de oude wissels en met hooguit 250 meter ertussen; raakt een das toch aan de verkeerde kant van het raster, dan zijn er om de 500 meter ontsnappingspoortjes die maar één kant op opengaan. Bij kanalen zorgen uittreeplaatsen om de 100 meter dat een das het water uit kan. En snelheidsverlaging helpt: op provinciale en lokale wegen de snelheid tussen de avondschemer en acht uur ’s ochtends terugbrengen naar zo’n 60 km per uur verkleint de kans op een aanrijding aanzienlijk — wildspiegels daarentegen hebben op de das geen enkel effect.

Het grootste gebaar is een ecoduct of natuurbrug, waar niet alleen dassen maar ook edelherten, wilde zwijnen, reeën en vossen ongestoord kunnen oversteken. Dat zulke voorzieningen werken, maar geduld vragen, illustreert een Vlaams voorbeeld: op de laatste dag van 2024 liep voor het eerst een das over het ecoduct De Warande in het Meerdaalwoud bij Oud-Heverlee — negentien jaar nadat dit eerste Vlaamse ecoduct was aangelegd.

Dat de inspanning loont, laat de lange lijn zien. Rond 1900 leefden er naar schatting 12.000 dassen in Nederland; door vervolging en ruilverkaveling zakte dat tot ongeveer 1.200 rond 1960. Sinds het beschermingsplan van de jaren tachtig herstelt de soort zich, tot ergens tussen de 5.000 en 7.000 dieren nu. Maar het beeld verschilt sterk per streek. Op de Veluwe daalde het aantal bewoonde hoofdburchten tussen halverwege de jaren negentig en 2020 met 34 procent — waarschijnlijk door minder en drogere graslanden, minder regenwormen en concurrentie met wilde zwijnen — terwijl in Utrecht en ’t Gooi de populatie juist groeide van een handvol dieren in 1983 naar 137 hoofdburchten in 2021. In Belgisch Limburg schat de dassenwerkgroep het aantal burchten op ongeveer 500 en de populatie op 1.500 tot 2.000 dieren, met de das in opmars vanuit de Voerstreek richting de Maasvallei en Vlaams-Brabant.

Voor grondeigenaren en beheerders is dat goed nieuws met een verantwoordelijkheid. Een terrein wordt dassenvriendelijker met open plekken in bos, bemest grasland, valfruit dat blijft liggen en nieuwe heggen en houtwallen. Wie een burcht op zijn land ontdekt of een dassenvriendelijke inrichting overweegt, kan bij de plaatselijke dassenwerkgroep terecht voor advies — en meldt een doodgereden das het best bij een verkeersslachtoffer-meldpunt zoals dierenonderdewielen.be, zodat de gevaarlijkste punten in kaart komen.

Herstel de heggen en houtwallen, en de das keert vanzelf terug — als hij de overkant van de weg tenminste haalt.

Veelgestelde vragen

Hoe zie ik het verschil tussen een dassenspoor en dat van een hond of vos?

Tel de tenen. Een das zet vijf teenkussens af in een boog boven een breed, niervormig voetkussen, met duidelijke nagelafdrukken; een hond en een vos hebben er vier. De prent is ongeveer 5 tot 6 cm breed. Let op: soms drukt de kleine binnenteen niet af en zie je er vier — maar met een niervormig kussen en forse nagels blijft het een das.

Hoe herken ik een dassenburcht?

Aan de grote zandhopen (stortbergen) voor de ingangen, met een afvoergeul, en aan gangen van zo’n 30 cm doorsnede. Anders dan bij een vossenhol vind je geen prooiresten en geen stank; wel gemorst nestmateriaal, wissels, mestputjes en soms een krabboom in de buurt. Een burcht kan generaties, soms eeuwen, in gebruik zijn.

Houdt de das een winterslaap?

Nee. De das houdt geen echte winterslaap, maar is in koude periodes wel veel minder actief en blijft dan soms dagenlang in de burcht, terend op de vetreserves die hij in het najaar heeft opgebouwd.

Wanneer zie ik jonge dassen op een wildcamera?

Meestal in april en mei. Door de uitgestelde innesteling worden de jongen in februari of maart geboren en komen ze pas na zes tot negen weken bovengronds; rond 20 april is gebruikelijk, al kan een zachte winter dat vervroegen.

Mag ik een dassenburcht op mijn terrein verwijderen of dichtmaken?

Nee. De das is beschermd en zijn burcht ook — in Nederland onder de Omgevingswet, in Vlaanderen via het Soortenbesluit. Een burcht blijft zelfs beschermd tot vijf jaar nadat de laatste das is vertrokken. Verstoren of dichtmaken is strafbaar; vraag advies bij de provincie of de plaatselijke dassenwerkgroep.

Waarom staat de das in Vlaanderen als “bedreigd” en in Nederland als “niet bedreigd”?

Het zijn aparte beoordelingen van aparte populaties. Op de Nederlandse Rode Lijst van 2020 geldt de das als “thans niet bedreigd”, terwijl de Vlaamse Rode Lijst hem als “bedreigd” classificeert omdat de populatie daar kleiner is en zich pas sinds kort herstelt.