trail.cam

Otter terug in Nederland: sporen lezen, spraints en cameramonitoring

Een otter klimt bij zonsopgang uit een rietomzoomd veenwater de oever op, met een dikke staart en natte bruingrijze vacht

Een otter zie je bijna nooit. Het dier is schuw, nachtactief en brengt het grootste deel van zijn leven in of langs het water door. Wat je wél vindt, is wat hij achterlaat: een klein, zwart hoopje op een brugrichel dat verrassend zoet naar vis ruikt, een gladde glijbaan in een modderige oever, of vijf tenen in het zand langs een sloot. Dat is geen toeval. De hele terugkeer van de otter in Nederland — van officieel uitgestorven rond 1988 tot een levensvatbare populatie vandaag — is te danken aan het lezen van precies die sporen, aangevuld met DNA uit spraints en beelden van cameravallen.

Dit stuk gaat over beide kanten van dat verhaal. Eerst: hoe je ottersporen in Nederland herkent — de spraints, de prenten met hun zwemvliezen, de glijbanen en de holten. Daarna: hoe onderzoekers en vrijwilligers met die sporen een dier tellen dat zich nauwelijks laat zien, en waarom het verkeer — niet de stroper, niet de vervuiling — inmiddels de grootste bedreiging is voor het meest aansprekende roofdier van het Nederlandse waterlandschap.

Van bijna overal naar bijna weg — en terug

Rond 1900 kwam de otter nog in vrijwel het hele land voor. Daarna ging het hard bergafwaarts. Het dier werd bejaagd — pas in 1954 werd de jacht op de otter definitief verboden — de leefgebieden werden kleiner, en tijdens strenge winters verdronken er veel in visfuiken of kwamen ze om in het verkeer. Omstreeks 1942 waren er nog maar 30 tot 50 dieren over; na sluiting van de jacht herstelde de stand zich even tot ongeveer 300 rond 1962, om vervolgens opnieuw in te storten. De genadeslag kwam waarschijnlijk in de jaren zeventig, toen hoge concentraties pcb's zich via de vis in het lichaam van de otters ophoopten en hun voortplanting aantastten.

Rond 1988 gold de otter in Nederland als uitgestorven. Het laatste dode dier van de oorspronkelijke populatie werd in 1989 aangetroffen — veelzeggend genoeg in een visfuik in Friesland — en tot 1992 werden er nog losse sporen gezien, vermoedelijk van zwervers uit een relictpopulatie in de Ardennen. Ook in Vlaanderen verdween de soort in diezelfde jaren tachtig en negentig op populatieniveau, na een halve eeuw van actieve bestrijding met premies voor het doden en daarna van biotoopverlies en watervervuiling.

De terugkeer was geen natuurlijk toeval maar een programma. Op 7 juli 2002 werden de eerste zeven dieren — vier vrouwtjes en drie mannetjes, afkomstig uit gezonde populaties in Letland en Wit-Rusland en uit fokprogramma's in Tsjechië en Zweden — losgelaten in de Weerribben. In de jaren daarna volgden er meer; tussen 2002 en 2009 werden in totaal 31 otters uitgezet in de laagveengebieden van Zuidoost-Friesland en Noordwest-Overijssel. Al in het eerste jaar was er voortplanting, en de populatie groeide daarna gestaag met gemiddeld zo'n 20 procent per jaar, als een olievlek vanuit het kerngebied. Volgens de wetenschappelijke maatstaf heeft een middelgrote zoogdiersoort als de otter minstens 400 volwassen dieren nodig om als levensvatbaar te gelden; dat aantal is inmiddels gehaald, en sinds ongeveer de winter van 2020/2021 spreekt men van een minimaal levensvatbare populatie.

Een dier dat we in 1989 uit een visfuik viste, hebben we dertien jaar later met de hand teruggezet — en daarna leerden lezen uit wat het achterliet.

Hoeveel otters, en waar?

Op de meest gestelde vraag — hoeveel otters leven er nu in Nederland? — bestaat geen actueel, hard antwoord, en dat is belangrijk om te begrijpen. De laatste echte populatieschatting komt van het Compendium voor de Leefomgeving en betreft de winter van 2019/2020: circa 450 dieren. Dat was, in de woorden van het Compendium, “het laatste seizoen waarin een populatieschatting werd verricht”. Omdat de populatie de status van levensvatbaar had bereikt, is de intensieve jaarlijkse genetische monitoring vanaf 2020 bewust afgeschaald, waardoor een exacte aantalsschatting sindsdien niet meer wordt gemaakt. Wie vandaag een rond getal leest — “zo'n 450 tot 500 otters” — moet dus weten dat dat teruggaat op die telling van vóór 2020, niet op een verse census.

Wat we wél bijhouden, zijn twee andere dingen: het aantal dood gevonden (vooral doodgereden) dieren, en het aantal waarnemingen dat vrijwilligers melden. In het verspreidingsonderzoek van seizoen 2024–2025 werd op 1 maart 2025 de tienduizendste waarneming genoteerd. Dat zegt iets over verspreiding en activiteit, maar het is nadrukkelijk geen koppentelling.

Qua verspreiding is het zwaartepunt nog altijd het noorden en oosten: het kerngebied in de Weerribben-Wieden, grote delen van Friesland, Groningen, Drenthe en langs de Overijsselse Vecht, met uitlopers in Gelderland langs de IJssel. In Zuid-Holland leeft rond de Nieuwkoopse Plassen een kleinere satellietpopulatie die zich langzaam uitbreidt. Otters duiken zelfs midden in de stad op: in Lelystad leven ze al sinds 2011 binnen de gemeentegrenzen, in een waternet dat zo dicht is dat vrijwel elk kilometerhok wel sporen oplevert — een lokale onderzoeker vatte het samen met de kop “iedere bewoner heeft een otter als buur”. Naar het zuiden en westen komt de soort juist moeizaam vooruit, en het drukke wegennet speelt daarbij vrijwel zeker een rol. In Vlaanderen wordt de otter sinds 2012 weer met enige regelmaat gezien, met een vaste vestiging in de Beneden-Schelde rond Kruibeke sinds 2014.

Een verse zwarte otterspraint met visschubben op een betonnen richel onder een brug, net boven de waterlijn

Sporen lezen: spraints, prenten en glijbanen

Omdat je de otter zelf zelden ziet, draait herkenning in de praktijk om zijn sporen. Het belangrijkste — en het handigst — is de spraint: de kleine uitwerpseling waarmee de otter zijn territorium markeert.

Spraints. Een spraint is meestal 10 tot 15 mm dik en 2 tot 10 cm lang, al zijn ze vaak kleiner en brokkeliger. Vers is hij donkergroen tot zwart en teerachtig; naarmate hij ouder wordt, verbleekt hij tot grijs en valt hij uiteen. Erin zitten de resten van de maaltijd: visschubben en graatjes, soms stukjes van rivierkreeften of amfibieën. Maar het meest kenmerkende is de geur. Die is, anders dan je van uitwerpselen zou verwachten, niet vies maar juist zoetig — kenners omschrijven het als een levertraan- of visgeur, sommigen als een “koeienstallenlucht”. Ervaren speurders ruiken een spraint vaak al voordat ze hem zien. Die geur onderscheidt de otter bovendien van de Amerikaanse nerts, waarvan de uitwerpselen juist onaangenaam stinken.

Waar moet je zoeken? Op opvallende, wat hogere plekken langs het water: pollen, stenen, aanlegsteigers, boomstronken en vooral de richels onder bruggen en duikers — precies daar waar waterstromen samenkomen of waar de otter het water uit moet. Otters zwemmen namelijk liever niet ónder een lage brug door; ze gaan het water uit en steken bovenlangs over, en laten daarbij hun visitekaartje achter. Vaak schraapt het dier eerst wat zand of gras tot een hoopje en deponeert de spraint daar bovenop; wordt een plek heel vaak gebruikt, dan ontstaat een otterlatrine. Naast de spraints zet de otter ook ottergeil af, een geleiachtige substantie uit de anaalklieren die eveneens dient om te markeren. Een detail voor de liefhebber: uit de plek van de urinestraal is zelfs het geslacht af te leiden — een straal vóór de spraint komt van een mannetje, vrouwtjes urineren erover of erachter.

Prenten. Vind je een pootafdruk in klei, zand of dunne sneeuw, let dan eerst op het aantal tenen. De otter is een marterachtige en heeft er vijf, terwijl hond en kat er vier afdrukken. Het meest onderscheidende kenmerk is subtieler: de nagels komen bij de otter direct uit de teenkussens, zonder tussenruimte, en samen vormen teen en nagel een druppelvorm — zo kenmerkend dat één goede teenafdruk vaak al genoeg is. De voorvoet is groter dan de achtervoet, en het middenvoetskussen is niervormig. En de beroemde zwemvliezen? Die zitten er wel degelijk tussen alle tenen, maar — en dit is de valkuil — ze drukken alleen af in heel zachte modder of een dun laagje sneeuw. Reken er dus niet op: een prent zónder zichtbare zwemvliezen sluit een otter niet uit. Meestal beweegt het dier zich in galop voort, waarbij de prenten in groepjes van vier bij elkaar staan; het mooiste en meest vluchtige spoor is trouwens het bellenspoor dat een zwemmende otter onder water achterlaat.

Glijbanen, wissels en holten. Otters gebruiken vaste looppaadjes — wissels — tussen twee wateren, vaak met kleine tunneltjes onder de oevervegetatie door. Een bijzondere variant is de glijbaan: een gladde doorgang op een steile, modderige of besneeuwde oever waar de otter zich naar het water laat glijden, keer op keer, schijnbaar puur voor de lol. Zulke wissels en glijbanen zijn zo'n 15 tot 30 cm breed. Overdag rust de otter in een schuilplaats, een holt: bovengronds in dichte oeverbegroeiing, of ondergronds in een natuurlijke holte tussen boomwortels, in een door bever, muskusrat of konijn gegraven hol, of in een nis onder een brug. Zulke natuurlijke plekken zijn vaak tijdelijk — dekking verdwijnt, holen storten in, hout verrot — en juist het gebrek eraan geldt als een kritische factor voor de soort. Daarom worden er op sommige plekken kunstmatige otterholten aangelegd, met een droge kamer en toegangen vanaf zowel het water als het land. De eerste legde Landschapsbeheer Flevoland al rond 2012 aan; langs de Linge tussen Arnhem en Nijmegen wordt gewerkt aan een reeks van zo'n veertig.

Een otter zie je zelden. Je leest hem — aan een spraint op een brugrichel, een glijbaan in de modder, vijf tenen in het zand.

Tellen wat je nauwelijks ziet: DNA en cameravallen

Een otterprent met vijf tenen en een vaag zichtbaar zwemvlies in zachte modder aan de waterkant

Hoe tel je een dier dat 's nachts actief is, schuw is en zich nauwelijks laat zien? Het antwoord dat Nederland al meer dan twintig jaar gebruikt, is even elegant als onsmakelijk: je verzamelt de spraints. Aan de buitenkant van een verse keutel zitten kleine hoeveelheden darmcellen, en uit het DNA daarin is het individuele dier te herkennen. Zo hebben onderzoekers van Wageningen Environmental Research vrijwel alle bekende Nederlandse otters in een databank gezet — inclusief hun onderlinge familierelaties. Die aanpak is niet alleen niet-invasief maar ook nauwkeuriger dan wat elders in Europa gebruikelijk is: je kunt aan een spoor niet zien of je telkens hetzelfde dier ziet of steeds een ander, maar aan het DNA wel.

Het waarom van het winterseizoen zit ook in die methode. De meeste spraints worden tussen oktober en april verzameld: het is dan kouder, waardoor het verse materiaal langer geschikt blijft voor DNA-analyse, én de otter markeert juist in die maanden het felst. Vrijwilligers — veelal van de werkgroep CaLutra van de Zoogdiervereniging — struinen dan hun eigen gebied af, soms tijdens gezamenlijke zoekdagen, en sturen verse spraints (het liefst minder dan 24 uur oud) in potjes met alcohol naar Wageningen. Wie de vaste markeerplekken kent, kan een otter zelfs uitlokken door er een stukje hout neer te leggen. Deze jaarlijkse monitoring gebeurt in opdracht van het ministerie. Dat de aanpak werkt, bewees al de allereerste grondige studie: tussen 2002 en 2008 werden 1.265 spraints geanalyseerd, waaruit 54 nakomelingen en een compleet stamboombeeld van de jonge populatie naar voren kwamen.

De cameraval is in dit geheel geen hoofdrolspeler maar een waardevolle aanvulling. Een camera bewijst dát er iets passeerde, en wanneer — maar zelden wélk individu, want dat blijft het werk van het DNA. Toch kan het samenspel prachtige verhalen opleveren. Toen eind 2013 in de Nieuwkoopse Plassen een otter op een cameraval verscheen, wees DNA-onderzoek uit dat minstens drie dieren die satellietpopulatie hadden bereikt, over meer dan 100 kilometer dwars door druk verkeersgebied. En bij een kunstmatige otterholt in Flevoland dook de eerste otter pas na twee jaar geduldig filmen op de beelden op.

Het mooiste voorbeeld komt uit Oost-Vlaanderen. Daar registreerde een netwerk van ruim 25 cameravallen sinds eind 2019 een otter langs de Durme en de Moervaart — herkenbaar doordat zijn linkeroog op de nachtbeelden niet meer oplichtte, wat het dier de bijnaam “éénoog otter” opleverde. De camera suggereerde een mannetje; het DNA uit de spraints wees echter op een vrouwtje, en koppelde het dier bovendien aan de Flevopolder in Nederland, waar het tot de winter van 2018/2019 had geleefd. Om het Waasland te bereiken had deze otter zo'n 200 kilometer afgelegd. Precies dat verschil — de camera zei “man”, het DNA zei “vrouw” — laat zien waarom beide methoden elkaar nodig hebben.

Bij die methode past ook een eerlijke kanttekening, en die komt uit onderzoek net over de grens. Het simpelweg tellen van spraints is géén betrouwbare maat voor het aantal otters: mannetjes markeren aantoonbaar vaker en opzichtiger dan vrouwtjes, zodat je zonder DNA een scheef beeld krijgt, en op de koop toe blijken sommige “otter”-keutels bij nader inzien van de Amerikaanse nerts te zijn. Zonder de genetische controle tel je dus deels de verkeerde dingen — precies de reden waarom Nederland en Vlaanderen op DNA leunen en niet op het turven van sporen alleen. In Vlaanderen wordt daar inmiddels eDNA aan toegevoegd: uit een gewoon waterstaal is af te lezen of er een otter in de buurt is geweest, wat voor zo'n schuwe soort veelbelovend is.

De ruggengraat van de ottertelling is geen verrekijker maar een laboratorium: uit één verse spraint valt een heel individu af te lezen.

De grootste bedreiging: het verkeer

Als er één cijfer blijft hangen, is het dit: bij Nederlandse otters die dood worden gevonden, is het verkeer in ongeveer 90 procent van de gevallen de doodsoorzaak. Anders gezegd komt naar schatting een kwart tot een derde van de hele populatie jaarlijks om op de weg; voor het noorden van Nederland spreekt men zelfs van tot 30 procent. Het aantal geregistreerde verkeersslachtoffers is met de populatie meegegroeid: van drie in 2003 tot 159 in 2022, met een piek van 196 in 2023 en 151 in 2024. De groei van dat jaarlijkse aantal vlakt sinds 2020 wel af.

Dat de otter zo kwetsbaar is voor auto's heeft alles met zijn leefwijze te maken. Hoewel we hem als waterdier zien, is de otter vooral een oeverdier. Bij het afbakenen van zijn grote territorium en het zoeken naar nieuw leefgebied legt hij per nacht flinke afstanden af — tot wel twintig kilometer — deels zwemmend, deels over land. En waar een oever door een weg wordt doorsneden, klimt de otter er niet zelden bovenlangs overheen in plaats van onderdoor te zwemmen — met alle risico van dien. Vooral jonge, zwervende mannetjes en de provincie Friesland, waar de meeste otters leven, worden zwaar getroffen; op één berucht traject van de A32 tussen Heerenveen en Grou vielen in opeenvolgende jaren telkens meerdere slachtoffers.

Hier komt de otter in beeld voor iedereen die iets met water en wegen te maken heeft. De oplossing heet ontsnippering, en de gereedschapskist is inmiddels goed gevuld. Een overzicht van de Zoogdiervereniging onderscheidt vijf typen faunavoorzieningen: een brede faunaverbinding onder een brug of viaduct (het beste, want ook andere soorten profiteren), een kleine faunatunnel of faunabuis (minimaal circa 40 cm doorsnede), een looprichel of “otterplank” onder een bestaande brug, geleidende rasters, en overige maatregelen zoals stuwen en fauna-uittreedplaatsen. Het mooie is dat de otter niet kieskeurig is: een faunabuis mag lang zijn, bochtig en pikkedonker, en zodra één otter hem gebruikt, volgen soortgenoten vanzelf — ze ruiken elkaars spoor. Dat maakt zo'n voorziening bijna zelfversterkend.

Cruciaal is wél de uitvoering. De berucht dodelijke A6 langs het Tjeukemeer werd over vele kilometers uitgerasterd en van faunabuizen voorzien; sindsdien vallen daar vrijwel alleen nog slachtoffers wanneer een raster kapot is of een tunnel onder water staat. Onderhoud is dus geen bijzaak maar de kern: een faunapassage die dichtslibt of waarvan het raster een gat heeft, werkt niet meer. De boodschap aan wegbeheerders is om proactief te zijn en niet te wachten tot de slachtoffers vallen — en om ingrepen slim te combineren met gepland groot onderhoud. Onderzoekers leveren daarvoor de gegevens aan: uit de monitoring blijkt precies op welke knelpunten de meeste dieren sneuvelen.

Een dier dat we zelf terugbrachten, verliest zijn leven nu vooral op ons eigen asfalt.

De oude vijand: verdrinking in fuiken

Een otter glijdt op zijn buik over een gladde modderige glijbaan een steile oever af het water in

De op één na belangrijkste bedreiging is er een met een lange geschiedenis, want de visfuik hielp de otter ooit mee de das om te doen — het laatste oorspronkelijke dier werd immers dood in een fuik gevonden. Nog altijd verdrinken er otters in fuiken, vaak jonge dieren die het net in zwemmen en er niet meer uit komen. In 2019 werden in de Larservaart bij Lelystad een moederdier en haar dochter samen verdronken aangetroffen in een illegale fuik — voor een provincie met destijds maar zo'n 22 otters een gevoelig verlies.

De remedie is simpel en bestaat al: een keergrid of voorzetnet dat voorkomt dat de otter de fuik in kan. Sinds 1 januari 2016 is zo'n bescherming in Nederland verplicht — maar alleen binnen het officiële otterleefgebied, en juist doordat de otter zich zo snel uitbreidt, gebeuren ongelukken nogal eens net daarbuiten, waar de verplichting (nog) niet geldt. Handhaving en het meegroeien van dat officiële leefgebied met de werkelijke verspreiding blijven daarom een aandachtspunt. Elke dood gevonden otter gaat overigens naar Wageningen voor sectie en DNA-onderzoek, zodat ook de doodsoorzaak — verkeer, verdrinking of iets anders — netjes wordt vastgelegd.

Infraroodbeeld van een wildcamera toont 's nachts een otter die de oever op klimt bij het water

Inteelt en de Duitse verbinding

Er speelt nog een subtieler vraagstuk, meer onder de oppervlakte. De hele huidige populatie stamt af van een kleine groep uitgezette dieren, en daarvan hebben er uiteindelijk maar 12 tot 15 daadwerkelijk aan de voortplanting deelgenomen. In de beginjaren bevruchtte bovendien één dominant mannetje — later opgevolgd door zijn zoon — een groot deel van de vrouwtjes, waardoor de genetische basis smaller werd dan gehoopt. Uit de monitoring bleek de effectieve populatiegrootte dan ook maar zo'n 30 procent van het werkelijke aantal dieren. Er is dus sprake van inteelt, al zijn de gevreesde schadelijke effecten — verminderde weerstand, afwijkingen — in de praktijk tot nu toe niet waargenomen.

Het goede nieuws komt uit het oosten. Langs de Duitse grens duiken steeds vaker otters met Duits bloed op: volgens een statusrapport van Wageningen werden in zes grensgebieden 23 dieren geïdentificeerd, en in drie daarvan zat een otter met deels Duitse genen — het eerste bewijs in tien jaar van voortplanting tussen Nederlandse en Duitse otters. Ook in Noord-Nederland werden via spraint-DNA twee dieren uit Duitsland vastgesteld. Sinds ongeveer de winter van 2022/2023 lijkt er ter hoogte van Drenthe en Overijssel een grensoverschrijdende populatie te ontstaan, wat het risico op inteelt kan verkleinen. Precies dit “verse bloed” is wat een geïsoleerde populatie op de lange termijn gezond houdt — en het is opnieuw het DNA uit de spraints dat ons dit laat zien.

Wat de otter ooit hielp uitsterven — de fuik en de versnipperde oever — bepaalt nog altijd of hij het volledig redt.

De otter als graadmeter

Een houten looprichel onder een wegbrug net boven de waterlijn, met een geleidend raster op de oever

Waarom al die moeite voor één soort? Omdat de otter zelden alleen om zichzelf gaat. Als toppredator van het zoetwater geldt hij als een graadmeter voor een gezonde leefomgeving: zijn aanwezigheid duidt op voldoende schoon water, een goede visstand en natuurlijke oevers. Hij is bovendien een echte viseter — dagelijks eet hij het equivalent van ongeveer een kilo, waarvan het overgrote deel vis is; in een dieetstudie in de Gelderse Poort bestond 95 procent van de aangetroffen prooiresten uit vis. Interessant is dat de otter zich in sommige gebieden lijkt te specialiseren op de Amerikaanse rivierkreeft, een invasieve exoot met weinig natuurlijke vijanden — waarmee het teruggekeerde roofdier zelfs een handje helpt tegen een ongewenste indringer.

Wie voor de otter goede oevers, schoon water en veilige oversteekplaatsen regelt, helpt dus meteen tal van andere soorten. Niet voor niets noemt men de otter een paraplusoort. Dat maakt het teruglezen van zijn sporen — de spraint op de brugrichel, de glijbaan in de modder, het profiel uit een verse keutel — tot meer dan een aardigheidje voor de liefhebber. Het is de manier waarop we, dier voor dier en keutel voor keutel, bijhouden of het met ons water goed gaat.

Veelgestelde vragen

Hoe onderscheid je ottersporen van die van andere dieren?

Let op de combinatie van drie dingen: spraints (uitwerpselen van 2 tot 10 cm met visschubben en een opvallend zoete visgeur) op opvallende plekken zoals brugrichels, prenten met vijf tenen (hond en kat hebben er vier) waarbij de nagels direct uit de teenkussens komen, en glijbanen op steile oevers. De zwemvliezen zijn meestal níet zichtbaar in de prent, dus daar kun je niet op vertrouwen.

Waar ruikt een otterspraint naar?

Niet vies, maar juist zoetig — vaak omschreven als een vis- of levertraangeur, door sommigen als “koeienstallenlucht”. Die geur blijft lang hangen en onderscheidt de otterspraint van die van de Amerikaanse nerts, die onaangenaam stinkt. Ervaren speurders ruiken een spraint vaak eerder dan ze hem zien.

Hoeveel otters leven er nu in Nederland?

De laatste echte schatting is circa 450 dieren in de winter van 2019/2020; dat was het laatste seizoen waarin een telling werd gemaakt. Daarna is de monitoring bewust afgeschaald, dus een recenter exact getal bestaat niet — wat je tegenwoordig leest, gaat terug op die telling.

Hoe tellen onderzoekers otters als je ze nauwelijks ziet?

Via DNA uit spraints: op een verse keutel zitten darmcellen waaruit het individuele dier te herkennen is, zodat vrijwilligers en onderzoekers een databank van bekende otters kunnen bijhouden. Cameravallen leggen daarnaast vast dát en wanneer een otter passeert, maar het DNA bepaalt wélk dier het is.

Wat is de grootste bedreiging voor de otter?

Het verkeer. Bij dood gevonden otters is dat in ongeveer 90 procent van de gevallen de doodsoorzaak, en jaarlijks sneuvelt naar schatting een kwart tot een derde van de populatie op de weg. Op de tweede plaats staat verdrinking in visfuiken zonder beschermend keergrid.

Wat moet ik doen als ik een (dode) otter of ottersporen vind?

Meld je waarneming bij de Zoogdiervereniging; vrijwilligersmeldingen vormen de basis van het landelijke verspreidingsonderzoek. Een dode otter wordt naar Wageningen gebracht voor sectie en DNA-onderzoek, dus geef zo'n vondst altijd door in plaats van hem te laten liggen.