trail.cam

Steenmarter of boommarter? Waarom de bef je op een nachtbeeld in de steek laat

Een steenmarter met witte gevorkte bef bij een houtstapel en een boommarter met geelgouden bef in een boom, in direct vergelijk

Vroeg of laat gebeurt het iedereen met een wildcamera bij een schuur, een houtwal of een bosrand: een slank roofdiertje met een lang lijf en een volle pluimstaart loopt ’s nachts over een balk of klimt tegen een stam op. De vraag komt meteen — steenmarter of boommarter? — en met de vraag komt vaak het verkeerde antwoord, namelijk kijken naar de lichte vlek op de keel en de zaak daarmee sluiten.

Het probleem is dat juist die vlek — de bef of keelvlek — op een nachtopname bijna het eerste is wat verdwijnt. Zodra het te donker wordt, schakelt de camera over op infraroodflits en levert een zwart-witbeeld op. Kleur, precies de informatie waarop het schoolboekkenmerk rust, is dan simpelweg weg. Dat is geen mankement van één camera; zo werkt een infraroodopname nu eenmaal.

Dit stuk pakt dat eerlijk aan. Ja, steenmarter (Martes foina) en boommarter (Martes martes) zijn te onderscheiden — overdag, met een dood dier in de hand, of op een scherpe foto bij daglicht. Maar op een monochroom nachtbeeld dwingt de eerlijkheid ons te zeggen welke aanwijzingen standhouden en welke niet, en om geen zekerheid te beloven die zelfs marterkenners zichzelf niet gunnen. Wie de camerabeelden leest om een terrein, een kippenren of een monitoringproject te beheren, heeft precies dat nodig: weten wanneer je “steenmarter” mag zeggen en wanneer je moet blijven staan bij “een van de twee”.

Waarom deze twee zo lastig uit elkaar te houden zijn

Van de zeven inheemse marterachtigen in Nederland zijn er twee gemakkelijk: de das en de otter. De rest — boommarter, steenmarter, bunzing, hermelijn en wezel — lijkt sterk op elkaar. En van dat groepje zijn steen- en boommarter “de twee marters die echt niet uit elkaar te houden zijn”, zoals een Nederlands wildcameraplatform het zonder omhaal stelt. Ze zijn ongeveer even groot, hebben hetzelfde langgerekte lijf, dezelfde soepele klimgang en zelfs een sterk overlappend menu.

Dat het geen kleinigheid is, blijkt uit de mensen die het beroepshalve doen. Erwin van Maanen, marterspecialist van de Werkgroep Boommarter Nederland, opent zijn determinatiehandleiding met precies dit probleem: rond “vluchtige cameravalbeelden” gaan onder kenners e-mails heen en weer met de vraag is dit nu een steen- of boommarter?, en “zelfs doorgewinterde kenners hebben er soms moeite mee om die vraag met zekerheid te beantwoorden”. Soms, schrijft hij, is het “simpelweg niet mogelijk om een zeker antwoord te geven door té beperkte informatie en beeldmateriaal”.

De cijfers van het Dutch Wildlife Health Centre laten zien hoe scheef de trefkans ligt: over een periode van tien jaar kreeg het centrum 25 steenmarters, 5 boommarters en 19 bunzingen binnen voor onderzoek. De steenmarter is dus veruit de marter die je het vaakst tegenkomt — maar dat maakt van elke nachtelijke marter nog geen steenmarter.

Als de kenner met het dier in de hand er soms niet uitkomt, moet je een enkel nachtbeeld niet te veel vertrouwen.

De keelvlek: overdag een aanwijzing, ’s nachts een valstrik

Begin bij wat het kenmerk werkelijk zegt, bij daglicht. De steenmarter heeft meestal een lichte, vaak in tweeën gedeelde “vork” die tot op de bovenkant van de voorpoten doorloopt; de boommarter heeft in typische gevallen een geliger, meer gevlekte bef zónder vork, afgerond op de onderkant van de borst. Zo staat het in de meeste gidsen, en zo klopt het ook — in het gunstige geval.

Het probleem is tweeledig. Ten eerste is de bef ook overdag maar een aanwijzing, geen bewijs. Zodion, de nationale zoogdieronderzoeksclub, schrijft het bij beide soorten met zoveel woorden: “Er is echter zoveel variatie in vorm en kleur van de keelvlek bij beide soorten, dat dit in veel gevallen geen betrouwbaar kenmerk is. Er komen boommarters voor met een (geel-)witte bef en steenmarters met een gelige bef”. Van Maanen noemt nog een verraderlijk detail: gebouwbewonende steenmarters kunnen een kunstmatig okergele bef krijgen doordat ze zich langs bakstenen of andere kleurafgevende materialen wringen bij een nauwe toegang. Precies het dier dat je bij een huis verwacht, kan zo de “verkeerde” befkleur dragen.

De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging vat de omslag kernachtig samen: “Jarenlang is gedacht dat steen- en boommarter makkelijk van elkaar te onderscheiden zijn” op grond van de befkleur, maar “in werkelijkheid blijkt er een overlap te zijn tussen deze en andere kenmerken, zoals de kleur van de neus en ondervacht. Dit maakt het lastig om de soorten op wildcamera-beelden te onderscheiden”.

En dan het tweede, en voor de camera beslissende, punt: de bef is een kleur. En ’s nachts bestaat kleur niet. Hier komt het nuttigste onderzoek voor dit stuk in beeld. Aan de Universiteit van Trakia in Bulgarije zijn beide soorten met aas op schuine stammen gefotografeerd. Op 280 beelden waren op de dagopnamen de vacht- en befkleur goed zichtbaar en bruikbaar, maar op de nachtopnamen toonden de verschillen zich in de lichaamsverhoudingen, niet in de kleur van de keelvlek. De onderzoeker voegt eraan toe dat de kleur van de keelvlek sowieso “misleidend” kan zijn en “een grote geografische variatie” vertoont. Van Maanen zegt hetzelfde over de infraroodopname: dan “kan kleur niet worden gebruikt voor nadere determinatie, in tegenstelling tot beelden die overdag of ’s nachts met gewone flits zijn genomen”. Zelfs de Duitse vergelijkingskaart van het bosonderzoeksinstituut FVA Baden-Württemberg waarschuwt nuchter dat “ook op foto’s (bijvoorbeeld van wildcamera’s) niet altijd alle kenmerken herkenbaar zijn of de beeldkwaliteit slecht is”.

Overdag stuurt de keelvlek je de goede kant op; ’s nachts, op het infraroodbeeld, is het bijna het eerste wat verdwijnt.

Wat overblijft op een nachtbeeld: vorm, formaat en gedrag

Close-up van twee keelvlekken naast elkaar: de witte, gevorkte bef van de steenmarter en de ronde, geelgouden bef van de boommarter

Valt de kleur weg, dan blijven vorm en verhoudingen over. Dat zijn zwakkere aanwijzingen, maar het is wel waarop het Bulgaarse onderzoek je ’s nachts laat terugvallen: lichaamsverhoudingen, pootlengte, staartlengte, oorvorm.

Begin met het kenmerk dat als enige een échte kleurloze aanwijzing kan geven: de ondervacht. Die is wittig bij de steenmarter en grijsbruin bij de boommarter — volgens meerdere bronnen het betrouwbaarste onderscheid dat er is. Het aardige is dat het geen kleurcontrast in de klassieke zin is, maar een licht-donkercontrast, en dát kan een infraroodcamera juist wél vastleggen. Zodion merkt op dat de vacht van de steenmarter wat ruiger is, waardoor “ook op een (infrarood)camerabeeld de witte ondervacht vaak door de donkere bovenvacht heen te zien [is]” — met de eerlijke toevoeging: “maar een 100% betrouwbaar kenmerk is het in dit geval niet”. Een lichter, gevlekt totaalbeeld pleit dus voor steenmarter, een egaal-donker beeld voor boommarter — als aanwijzing, niet als bewijs.

De neus wordt vaak als tweede kenmerk genoemd: vleeskleurig-roze bij de steenmarter, donkerbruin tot bijna zwart bij de volwassen boommarter. Overdag is dat prima bruikbaar. Maar ook de neus is een kleur, en op een zwart-witbeeld lopen een roze en een donkere neus allebei naar grijs — dus dit kenmerk is met dezelfde logica als de bef onbruikbaar op een nachtopname. (Dat laatste is onze eigen redenering, gebaseerd op het feit dat het infraroodbeeld monochroom is; de bronnen koppelen de neuskleur niet zelf aan het infraroodbeeld.)

Blijven de vormkenmerken. De boommarter heeft in verhouding grotere oren die hoger en meer naar het midden van de kop staan en verder uitsteken, vaak met een lichte rand; de steenmarter heeft kleinere oren die meer zijwaarts staan en verder uit elkaar. De ruimte tussen de oorbasissen is bij de steenmarter zo’n 25 tot 45% groter, en zijn kop oogt daardoor breder en minder spits. De boommarter is bovendien wat ranker, met langere poten en een kortere staart; de steenmarter wat gedrongener. Maar let op: dat zijn subtiele verschillen, en Van Maanen waarschuwt uitdrukkelijk dat een dikke wintervacht de bouwverschillen kan “frustreren” en dat het onderscheid vooral bij jonge dieren lastig is. Het Bulgaarse onderzoek zag hetzelfde: in de winter leek de boommarter kortere oren te hebben, en bleef alleen de pootlengte goed leesbaar.

Er circuleert ook een specifiek infraroodkenmerk, en dat is nu juist afgeserveerd door de meest directe bron die we hebben. Sommigen opperden dat steenmarters op infraroodbeelden een sterker grijswaardencontrast tussen de donkere poten/staart en het lijf zouden tonen. Van Maanen extraheerde dat contrast met Photoshop uit diverse infraroodcameravalbeelden en concludeerde dat het “dusdanig klein is dat dit geen betrouwbaar onderscheidend kenmerk vormt”. Kortom: geen wondermiddel voor de nacht.

Wat rest is wat vogelaars “jizz” noemen — de totaalindruk van vorm, houding en beweging. Op video, met meerdere stills en de gang van het dier erbij, kom je vaak verder dan op één stilstaand fotootje; maar het is, in Van Maanens woorden, “voor een ongeoefend oog geen sinecure”.

Op een nachtbeeld blijft de vorm van het dier over, niet zijn kleur — en het is de vorm, voorzichtig gelezen, waarmee je verder moet.

Sporen: marter of das?

Infraroodbeeld van een wildcamera toont 's nachts een marter op een zolderbalk; de keelvlek is slechts als vage lichte vorm zichtbaar

Als het beeld niet beslist, beslissen soms de sporen op de grond — en juist daar valt de das duidelijk buiten het martergroepje, want hij is de echte “indringer” in dit verhaal.

Alle martersoorten hebben aan elke poot vijf tenen, en anders dan bij een kat drukken hun nagels meestal mee af in de prent. De boommarter heeft half-intrekbare nagels, wat hem een uitstekende klimmer maakt en verklaart waarom je die nagelpuntjes vaak terugziet in een spoor. De prent zelf is klein: bij de steenmarter zo’n 30 tot 40 mm breed, bij de boommarter 35 tot 45 mm — een Britse bron geeft voor de boommarter ongeveer 3,5 bij 4 cm. Op zachte, pakkende sneeuw laten beide de bekende 2x2-martersprong zien; bij de boommarter geven de behaarde zolen vaak een vagere, “sneeuwschoen”-achtige afdruk, bij de steenmarter met kale zolen een duidelijkere voetkussenprent. Steen- en boommarterprenten zijn onderling echter “makkelijk te verwarren” — de prent alleen scheidt de twee marters dus niet.

De das is een ander verhaal. Ook hij is een marterachtige, maar log, gedrongen en aardgebonden. Zijn prent heeft de vorm van een halvemaan met vijf ovale tenen en zware afdrukken van de lange graafnagels aan de voorvoeten tot wel 3 cm; de prent is 5 tot 6 cm breed met een niervormig middenvoetkussen. En beslissend: “Dassen lopen, in tegenstelling tot alle andere marterachtigen, niet in de typische martersprong, maar met een schommelende stap of draf”. Zie je dus een brede prent met vijf tenen op een rij en forse graafnagels, en een schommelende gang, dan is het geen marter maar een das.

Eén valkuil binnen het martergroepje: de bunzing. Zijn prent (25–35 mm) overlapt in grootte met die van steen- en boommarter, en hij loopt óók in de martersprong. Op het spoor alleen kom je er dus niet uit — daar helpt het gezicht, niet de poot (zie verderop).

Een brede dassenprent met vijf tenen op een rij en lange graafnagels in de modder, zo groot als een kleine berenpoot

Uitwerpselen, latrines en holsporen

De uitwerpselen zijn een tweede signaal, al is het een onbetrouwbaar. Marterkeutels zijn typisch loodgrijs, vast en vingervormig, met gevlochten of gedraaide punten, en de kleur hangt sterk af van het dieet — in zomer en herfst zitten er vaak pitten en zaden in. Maar keutels van boom- en steenmarter zijn “amper tot niet van elkaar te onderscheiden. Daarvoor is DNA-analyse noodzakelijk”, aldus Van Maanen — en ook de geur helpt de mens niet. Een Britse bron beschrijft marterkeutels als zwartig maar zoetgeurend, met haar en botresten erin, vaak op opvallende plekken neergelegd als territoriummarkering. Als soortkenmerk voor stéén- versus boommarter draagt de keutel dus weinig bij; als aanwezigheidsteken van “een marter” des te meer.

De geografie van de rust- en nestplaats helpt vaak meer dan de morfologie. De boommarter is een echte boombewoner: hij kiest holtes hóóg in de boom — verlaten spechtenholen, natuurlijke holten — passend bij zijn arboreale leven. Een nestboom herken je aan de latrine: “op een tak vlak bij het nest groeit een stapeltje drollen”. De steenmarter zit lager en dichter bij de mens: op zolders, in spouwmuren, onder dakbedekking, in takkenhopen — en hij deponeert zijn uitwerpselen steeds op dezelfde plek, een soort binnenshuise latrine, wat op den duur voor geuroverlast zorgt. Maar ook hier geldt de waarschuwing: een marter in een boom is niet per definitie een boommarter, en boommarters nestelen soms in gebouwen aan de bosrand.

Habitat is een kans, geen bewijs: de plek waar je de marter ziet, verschuift de waarschijnlijkheid, maar sluit niets uit.

Activiteit en seizoen: waarom het bijna altijd een nachtbeeld is

Er is een heel concrete reden waarom deze dieren vrijwel altijd in nachtelijke frames belanden, met alle geschetste problemen van dien: ze zijn overwegend schemer- en nachtactief. En daarbinnen zit nog een nuance die als steuntje kan dienen. Een Pools onderzoek in het oerbos van Białowieża volgde beide soorten met zenders en vond dat ze allebei vooral ’s nachts actief zijn, maar dat de steenmarter “bijna strikt nachtactief” is terwijl de boommarter “facultatief nachtactief” is en vaker overdag opduikt. De activiteitspieken lagen bovendien in verschillende delen van de etmaal: bij de steenmarter rond 4 uur ’s nachts, bij de boommarter rond 8 uur ’s avonds.

Nu is dat een Poolse studie, en je kunt er geen individueel dier mee determineren — maar als tendens sluit ze aan bij wat de Nederlandse bronnen zeggen: de steenmarter is hoofdzakelijk schemer- en nachtactief (in de zomer soms vroeg in de ochtend), terwijl de boommarter, vooral vrouwtjes met jongen, in het late voorjaar en de zomer ook overdag jaagt. Een marter die overdag met jongen speelt bij een boomholte is dus eerder een boommarter — maar een nachtelijke marter is alles behalve automatisch een steenmarter. En vergeet het seizoen niet: in winterse vacht ogen beide dieren voller, wat juist de bouwverschillen maskeert waarop je ’s nachts terugvalt.

Een steenmarter zit in de schemering op een houten tuinhek aan de rand van een woonwijk

De rest van het gezelschap: bunzing, hermelijn en wezel

De koppeling steenmarter/boommarter is de kern van het probleem, maar op de wildcamera duiken nog een paar marterachtigen op die vaak niet mét een marter maar mét “iets anders” worden verward — en die verdienen elk een regel.

Voor wezel en hermelijn geldt dat zelfs sporenbuizen ze niet altijd met zekerheid uit elkaar houden; wildcamera’s in marterboxen gelden hier als de meest kansrijke techniek.

Een boommarter met ronde, geelgouden bef klimt 's nachts tegen een boomstam op, diep in een naaldbos

Een bruikbaar beeld krijgen

Als een enkele nachtopname vaak niet beslist, is het antwoord niet méér camera’s maar meer bruikbare frames per passage, zodat er een beeld tussen zit met de juiste hoek. De logica is eenvoudig: de bef staat alleen op de foto als het dier zó voor de lens komt dat de keel zichtbaar is.

Natuurpunt liet dat in Antwerpen mooi zien door drie opstellingen te vergelijken op de vraag hoe goed je de keelvlek van een boommarter vastlegt. Een “Befraam” (een houten raamwerk met de lokstof bovenin, zodat de marter rechtop moet gaan staan) leverde in 86% van de beelden een herkenbaar individu op, een “Struikrover®”-buis 94%, maar een vrij opgestelde “Jiggler” slechts 43% — omdat het dier daar van alle kanten (360°) bij de lokstof kon, waardoor de keel vaak niet in beeld kwam. De onderzoekers tekenen er zelf eerlijk bij aan dat de opstellingen niet even lang en niet in gelijke aantallen in het veld stonden, dus hard vergelijkbaar zijn de percentages nog niet. De les is niettemin duidelijk: dwing het dier langs één zijde en verleid het rechtop, dan zie je de keel.

Aas of lokstof helpt daar dubbel bij. Een Duits onderzoek met wildcamera’s vond dat cameravallen met tonijn gemiddeld 7,25 keer en met een geurlokstof zelfs 18,7 keer zoveel beelden per bezoek opleverden als controlecamera’s — en stelt expliciet dat steen- en boommarter “vaak samen voorkomen en niet gemakkelijk te identificeren zijn” op cameravalbeelden. Meer beelden betekent meer kansen op de goede pose. Zet de camera daarom op video of burst in plaats van één opname, want de vorm van de bef en de gang van het dier lees je beter uit meerdere stills.

Het middel tegen een onbeslist nachtbeeld is niet méér camera’s, maar het dier zó laten poseren dat de keel in beeld komt.

Wat zegt de wet — en waarom de juiste soort ertoe doet

Een wezel, een hermelijn met zwarte staartpunt en een bunzing met lichte gezichtsmasker naast elkaar 's nachts, op ware grootteverhouding

Voor een grondeigenaar of natuurliefhebber is dit hoofdstuk geen theorie: het bepaalt wat wel en niet mag. En het beginpunt is helder — beide marters zijn in Nederland wettelijk beschermd. Ze staan allebei in bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving, de lijst die Zodion voluit noemt: “das, boommarter, steenmarter, bunzing, wezel en hermelijn”. De primaire wettekst bevestigt dat: zowel “boommarter (Martes martes)” als “steenmarter (Martes foina)” staan in die bijlage. Deze soorten zijn “iets minder streng beschermd, maar nog steeds beschermd” onder artikel 11.54 — een nationale bescherming.

Toch is er een verschil in tier, en dat zit boven de nationale laag. De boommarter draagt daarbovenop de Europese Habitatrichtlijn bijlage V, een aanduiding die op de steenmarterpagina ontbreekt. In de praktijk vallen beide dieren onder dezelfde nationale regeling (bijlage IX/artikel 11.54); de extra bijlage-V-status van de boommarter is een Europese laag bovenop die nationale bescherming, geen aparte strengere vergunningplicht in de bronnen die we konden nalezen. Waar de steenmarter — hoewel beschermd — bij overlast beheersbaar is via ontheffing of vrijstelling, is de boommarter door zijn zeldzaamheid en die extra status een dier waarbij je extra voorzichtig hoort te zijn.

En daar raakt de wet aan de determinatie. Voor de steenmarter geldt: bij overlast in huis of auto mag je het dier niet zomaar doden of vangen — dat is “in veel gevallen omgevingsvergunningplichtig”, tenzij een provincie een vrijstelling heeft afgegeven; het voorkomen van schade is bovendien je eigen verantwoordelijkheid, met preventieve, niet-dodelijke maatregelen voorop. In Vlaanderen loopt het net iets anders: de steenmarter staat er als jachtwild in het Jachtdecreet, maar de jacht is al tientallen jaren niet meer geopend, waardoor het dier niet gedood, gevangen of achtervolgd mag worden — al is verstoren om te verjagen er wél toegelaten.

De scherpste reden om de soorten goed uit elkaar te houden komt uit Vlaanderen zelf. De ooit uitgestorven gewaande boommarter duikt in bosrijke gebieden steeds vaker op, is “voor een leek erg moeilijk te onderscheiden van een steenmarter”, en durft soms tot aan de bebouwing of zelfs op zolders te komen — waardoor het massaal bestrijden van steenmarters onvermijdelijk ook de boommarter zou raken. Een verkeerd label op je wildcamera is dus niet alleen een sportief foutje; het kan een streng beschermde, zeldzame soort in gevaar brengen.

Nog één nuance over status, want die verschilt per schaal. Wereldwijd is de boommarter door de IUCN-Rode Lijst beoordeeld als “niet bedreigd” (Least Concern, beoordeeld in 2015, gepubliceerd in 2016), en op de Nederlandse Rode Lijst is hij in 2020 van “kwetsbaar” (2009) afgeschaald naar “thans niet bedreigd”. Toch blijft hij in Nederland en Vlaanderen lokaal zeldzaam en gemonitord — de Nederlandse populatie werd in 2020 geschat op zo’n 750 volwassen dieren, en in Vlaanderen ging het een eeuw lang om slechts een handvol betrouwbare waarnemingen tot de soort rond de eeuwwisseling terugkeerde. Wereldwijd veilig, hier een zorgkindje: precies daarom wordt hij gemonitord en beschermd.

Veelgestelde vragen

Hoe zie je op een nachtopname het verschil tussen een steenmarter en een boommarter?

Op een infraroodbeeld is er geen kleur, dus de befkleur en de neuskleur vallen weg; je bent aangewezen op vorm en verhoudingen — oorstand, kopvorm, poot- en staartlengte — en op de lichte ondervacht die soms door de dekvacht heen schemert. Die aanwijzingen zijn zwak, en een enkel frame geeft vaak geen zekerheid.

Waarom werkt de keelvlek ’s nachts niet als kenmerk?

Omdat de wildcamera bij weinig licht met infraroodflits opneemt en een zwart-witbeeld maakt. Een Bulgaars onderzoek bevestigde dat op nachtopnamen de kleur van de keelvlek niet te zien is en alleen de lichaamsverhoudingen overblijven. Het hoofdkenmerk uit de gidsen is dus precies wat de nacht als eerste wist.

Is een marter in het bos altijd een boommarter, en bij een huis altijd een steenmarter?

Nee. De leefgebieden overlappen: steenmarters komen ook in bossen voor en nestelen soms in bomen, en boommarters duiken op aan bosranden en zelfs in gebouwen. Habitat verschuift de waarschijnlijkheid, maar is geen bewijs.

Hoe onderscheid je een marter van een das op de wildcamera?

De das is veel logger en gedrongener, met een brede halvemaanvormige prent van vijf tenen en lange graafnagels (tot 3 cm) van 5 tot 6 cm breed. Beslissend is de gang: de das loopt niet in de typische martersprong maar met een schommelende stap of draf.

Mag je een steenmarter verjagen of doden bij overlast?

In Nederland is de steenmarter beschermd; doden of vangen is in veel gevallen omgevingsvergunningplichtig, tenzij een provincie vrijstelling verleent, en preventie is je eigen verantwoordelijkheid. In Vlaanderen mag het dier niet gedood of gevangen worden omdat de jacht al decennia gesloten is, al is verjagen er wel toegelaten.

Waarom zit er zo vaak een marter onder de motorkap?

Een steenmarter markeert er zijn territorium met geur; ruikt een volgende marter die concurrentiegeur, dan gaat hij als een wilde tekeer en knaagt slangen en kabels kapot om die geur uit te wissen — met schade die in de duizenden euro’s kan lopen. Reinig daarom de motorruimte om de geur weg te nemen, en let op: een marter heeft maar een gat van zo’n 5 cm nodig.