In het voorjaar van 2019 hingen er 92 wildcamera's in een stuk Waals bos dat op dat moment het meest westelijke front van Afrikaanse varkenspest (AVP) in Europa was. Ze stonden op ongeveer 50 centimeter hoogte, met de lens naar het noorden, zonder lokvoer — en ze registreerden geen mooie plaatjes, maar een verdwijning. Toen Bollen en collega's de beelden door een bezettingsmodel haalden, bleek het wild zwijn in de besmette zone al vrijwel weg, en zakte de bezetting daarna verder weg tot een geschat uitsterftecijfer tussen de 22,44 en 91,35 procent, afhankelijk van de infectiestatus van de zone. Anderhalf jaar later was Wallonië AVP-vrij. De camera's hadden die weg gedocumenteerd.
Dat is de kern van dit hele stuk. Sinds AVP het Europese vasteland bereikte, is het wild zwijn niet langer alleen jachtwild: het is het reservoir van een virus dat in 2025 in de hele EU verantwoordelijk was voor 11.036 uitbraken bij wilde zwijnen — het hoogste aantal sinds 2021, en 44 procent meer dan het jaar ervoor. Wie vandaag een wildcamera aan een wissel hangt in AVP-context, doet dat niet voor de foto. Het gaat om de vraag: hoeveel zwijnen zijn er, hoe bewegen ze, waar liggen de kadavers, en werken raster en verbod eigenlijk? Dit artikel laat zien wat de camera in die context echt kan meten, waar het bewijs zegt dat het helpt, en — even eerlijk — waar niet. En hoe je met het apparaat zelf omgaat, zodat je niet zelf het virus verplaatst.
Waarom juist de wildcamera
Het wild zwijn is een soort die de klassieke telmethoden ontloopt. Het is een nacht- en schemerdier met een scherp gehoor en reukvermogen maar slecht zicht, het legt op zoektochten grote afstanden af — tot wel 15 kilometer — en het leeft in wisselende groepen. Precies de eigenschappen die tellingen op basis van directe waarneming onbetrouwbaar maken. Daar komt een tweede probleem bij dat voor de dichtheidsschatting fundamenteel is: zwijnen dragen geen natuurlijke merktekens, dus de traditionele vangst-merk-hervangstmethoden zijn niet toepasbaar.
In Nederland loopt dat uit op een botte constatering. In de rapportage van vier provincies staat het onomwonden: buiten de leefgebieden is het wild zwijn “met de huidige kennis en methoden niet [te] tellen”, en er is “geen 1 op 1 link tussen afschot en populatieomvang”. Binnen de leefgebieden wordt wél geteld — de Faunabeheereenheid Gelderland en de wildbeheereenheden houden jaarlijks grofwildtellingen van edelhert, damhert, wild zwijn en moeflon in april, mei en juni — maar ook zij erkennen dat je “nooit alle dieren kunt tellen, alleen die dieren die je ziet”. Het is dat gat waar de camera in springt.
Want een wildcamera werkt zonder ophouden, zonder de dieren meer te verstoren dan nodig, en verzamelt data waar een waarnemer niet komt. Dat de Limburgse faunabeheerders inmiddels de bewegingen van zwijnengroepen “in kaart brengen” met nachtelijke wildcamera's, is geen toeval. Maar de hoeveelheid beelden is nog geen kennis. De kunst is er de parameters uit te halen waarop het beheer draait: dichtheid, groepsgrootte, activiteitsritme, voortplanting. Dáár zit de waarde, niet in de individuele foto.
In het AVP-tijdperk telt niet de foto van het zwijn, maar het getal dat je eruit haalt.
Dichtheid en groepsstructuur schatten
De oplossing voor “onherkenbare” dieren ligt in twee families van methoden, en het loont de moeite het verschil te snappen, want ze dienen iets anders.
Het random encounter model (REM) schat de dichtheid uit de frequentie waarmee dieren het beeldveld van de camera binnenlopen, gecorrigeerd voor hoe snel ze bewegen en voor de omvang van de detectiezone (bereik en hoek) van de camera. Het vraagt geen herkenning van individuen — daarom past het goed bij wild zwijn. Als ijkpunt: een EU-brede vergelijking van cameravaltellingen in negentien Europese gebieden kwam met het REM uit op dichtheden van 0,35 tot 15,25 dieren per vierkante kilometer, zonder statistisch verschil tussen bioregio's. Dat spreidingsbeeld zegt meteen waarom een lokale meting een landelijke schatting verslaat: de dichtheid varieert enorm van gebied tot gebied.
Bezettingsmodellen gaan een andere weg. In plaats van individuen te tellen, vragen ze: op hoeveel plekken komt het zwijn voor, en hoe verandert dat in de tijd — met correctie voor het feit dat een camera een aanwezig dier niet altijd detecteert. Het is de methode die in Wallonië liet zien dat de bezetting aan het begin van de monitoring de infectiestatus weerspiegelde, en dat AVP en afschot samen de bezetting deden instorten. Eenvoudiger dan het REM, want je hoeft geen loopsnelheid of detectiezone te meten — maar het geeft een trend, geen absoluut aantal.
Blijft de groepsgrootte over. Wilde zwijnen leven in een “rotte” van meestal 5 tot 10 dieren, tijdelijk soms tot wel 30 — een aantal zeugen met hun jongen van het eerste en tweede jaar, terwijl de mannetjes na ongeveer een jaar solitair gaan leven. Zelden staat zo'n hele rotte tegelijk in beeld, en dat maakt het aflezen van cameravalbeelden bewerkelijk. In de praktijk is het doorspitten van duizenden lege of half-lege beelden juist wat een monitoring om zeep helpt.
Eén waarschuwing over plaatsing. De onderzoeksploegen hingen hun camera's op zo'n 50 centimeter hoogte, naar het noorden gericht en zonder lokvoer. Dat zijn verdedigbare keuzes — op onze breedtegraad is het noorden de zonluwe kant, dus minder tegenlicht — maar het is geen heilige regel: die opstelling was afgestemd op dát terrein en dát doel. Het algemenere principe is simpeler: stabiel en laag ophangen, een schoon beeldveld, en geen lokvoer als je een eerlijk beeld van de passages wilt in plaats van een kunstmatige concentratie dieren. Dat laatste is in AVP-context bovendien geen detail: voer trekt zwijnen samen, en dat werkt de overdracht in de hand. Dat de methode zelf nog in ontwikkeling is, laat Vlaanderen zien: het INBO volgt everzwijnen met 32 cameravallen in Heverleebos en Meerdaalwoud, juist om uit te zoeken hoe je een wildcamera het best inzet — ideale locatie, timing en duur — en of een zonering van de jachtdruk de verdeling van de dieren verandert.
Buiten de leefgebieden is het wild zwijn niet te tellen — behalve met de camera.
Kadavers en aaseters: waar de camera het reservoir bewaakt

Hier draait het denken over monitoring om. Tegen de intuïtie in is niet het levende, rennende zwijn de belangrijkste motor van de ziekte, maar het kadaver. AVP wordt in Europa juist ook waargenomen in regio's met zeer lage zwijnendichtheden, en het virus overleeft uitzonderlijk lang in de omgeving — bij 4 °C meer dan een jaar in bloed, en weken in varkensvleesproducten. Zolang er een besmet kadaver in het bos ligt, blijft het een besmettingsbron voor de soortgenoten die eromheen komen.
Daarom is de kostbaarste “vangst” van de camera in een uitbraak niet het levende zwijn, maar het dode dier en wat er omheen gebeurt. Camera's bij kadavers doen twee dingen. Ten eerste helpen ze het verspreidingsrisico inschatten. Een Duitse ploeg zette camera's bij 32 zwijnenkadavers en identificeerde 22 gewervelde soorten, waarvan er maar een paar echt aasden; de meest waargenomen soort was de wasbeerhond, met 44 procent van de bezoeken. De conclusie is geruststellend en het waard om te onthouden, want er circuleren veel mythes: aaseters vormen “een gering risico” voor de verspreiding van AVP, “maar kunnen bijdragen aan het verminderen van de lokale persistentie van het virus door besmette kadavers te metaboliseren”. Vos en raaf horen bij de vaste bezoekers, en het virus overleeft een passage door de darm van een aaseter vrijwel zeker niet. Er is dus geen technische reden om aaseters te bestrijden.
Het tweede, belangrijker voor wie in het veld staat, is snelheid. Slechts een klein deel van de kadavers — doorgaans minder dan 10 procent — wordt gevonden. En het virus zit niet alleen in het karkas: DNA is teruggevonden in de bodem onder een kadaver, tot weken en in één Estisch geval zelfs vier maanden na verwijdering. Vandaar dat de ruggengraat van de bestrijding de actieve kadaverzoektocht is, en niet het geweer.
In Nederland en Vlaanderen is die zoektocht nu vooral een kwestie van paraatheid, want beide zijn AVP-vrij. Nederland leunt op een landelijk protocol dat de NVWA samen met provincies, faunabeheereenheden en het ministerie ontwikkelde: elk dood gevonden wild zwijn wordt beoordeeld, “om snel te ontdekken of Afrikaanse varkenspest aanwezig is in Nederland”. Voor de jager of boer die zo'n kadaver aantreft, is de instructie van de Jagersvereniging kort en helder: laat het liggen, raak het niet aan, tref hygiënemaatregelen, blijf er minstens vijf meter vandaan, markeer de plek onopvallend, en bel de provinciale zwartwildcoördinator met de exacte locatie en het tijdstip. In Vlaanderen voert Natuur en Bos een permanente passieve monitoring uit — “elk dood aangetroffen everzwijn wordt onderzocht” — aangevuld met periodieke actieve bewaking; tot dusver zijn alle uitslagen negatief.
Zolang er een besmet kadaver in het bos ligt, blijft de uitbraak smeulen — daarom is de foto van een dood zwijn meer waard dan honderd foto's van levende.
Wallonië 2018–2020: het regionale schoolvoorbeeld

Wie wil zien hoe dit alles samenkomt, kijkt naar Zuid-België. Op 13 september 2018 bevestigde het laboratorium AVP bij vier wilde zwijnen in de provincie Luxemburg — drie dood gevonden op 9 september, het vierde op 10 september. Het was het meest westelijke geval in Europa op dat moment, met genotype II, en de dichtstbijzijnde besmette haard lag zo'n 1.000 kilometer verderop in Tsjechië; menselijk handelen is de meest waarschijnlijke oorzaak. Geen enkel varkensbedrijf raakte ooit besmet.
De Waalse aanpak rustte op vier pijlers tegelijk: zonering, kadaveropsporing, rasters en het uitdunnen van de populatie. De cijfers geven de schaal weer. De beheerzone besloeg 1.106 vierkante kilometer (het besmette kerngebied zelf zo'n 620 km²), waaruit 7.077 wilde zwijnen werden verwijderd. In totaal werden 5.338 dieren met qPCR getest, waarvan 833 positief. De zoekinspanning bedroeg 60.631 uur, met 88 procent van de aandacht in de besmette zone, en er werd 277 kilometer raster geplaatst. Het zoeken gebeurde in ploegen van zes tot acht mensen onder leiding van een boswachter, elk kadaver werd met gps vastgelegd, en de meldingsplicht gold voor iedereen.
Twee lessen springen eruit, en beide zijn ongemakkelijk. De eerste: in het eerste jaar doodt het virus efficiënter dan welke bestrijding ook. Zonder jacht drukt de ziekte de populatie zelf al met zo'n 80 procent. De tweede: van de bestrijdingsmethoden bleek niet het geweer maar de kastval verrassend effectief. Wallonië zette 185 vallen in — cirkelvormig, 30 tot 60 vierkante meter, ongeveer één per 300 hectare — en ving daarmee zo'n 1.200 zwijnen, het meest in het voorjaar en de zomer van 2019, “efficiënter en minder verstorend dan de jacht”. De laatste dieren in de leeggelopen besmette zone werden uiteindelijk pas geschoten dankzij camera's met signaaloverdracht op de aasplaatsen, die de nachtploegen naar de juiste plek loodsten.
Over het raster is de eerlijke conclusie genuanceerd. Een 100 procent zwijnwerende barrière bestaat niet, zeker niet in een landschap doorsneden met beken; van de tien rastersegmenten die het virusfront raakten, hielden er zes stand en waren er vier lek. Toch was het net van rasters, samen met de ineenstorting van de dichtheid, wat de ruimtelijke uitbreiding “krachtig heeft afgeremd”. Het einde kwam in stappen: het laatste verse positieve kadaver dateert van 11 augustus 2019, de EU hief de Belgische zones op 20 november 2020 op, en de wereldorganisatie voor diergezondheid (WOAH) erkende de AVP-vrije status op 21 december 2020 — 26 maanden na het eerste geval. De rasters staan er deels nog, “gezien de zorgwekkende situatie in andere Europese landen”.
In het eerste jaar van een uitbraak doodt het virus efficiënter dan welk geweer dan ook.
Nederland: nulstand, Veluwe en Limburg
De Nederlandse situatie staat er heel anders voor, en het is belangrijk die niet te verwarren met de Belgische. Wild zwijn was in Nederland in 1826 door overbejaging verdwenen en werd in 1907 door prins Hendrik heruitgezet voor de jacht. Sinds 1993 bepaalt het Rijk dat het dier alleen mag voorkomen in aangewezen leefgebieden — de Veluwe, Nationaal Park De Meinweg en natuurgebied Meerlebroek in Noord-Limburg — en geldt daarbuiten een nulstand: geen enkel wild zwijn getolereerd. Op de Veluwe beslaat het leefgebied zo'n 90.000 hectare, inclusief het Kroondomein.
Binnen dat leefgebied wordt intensief beheerd. In het beheerjaar 2021-2022 werden ruim 7.700 dieren geschoten, ruim 2.000 meer dan het vorige topseizoen 2008-2009 — een gevolg van mastrijke jaren. De gewenste voorjaarsstand voor 2022 lag op 1.400 dieren, terwijl de verwachte stand rond de 2.500 uitkwam. Vooruitlopend op een uitbraak is de Veluwe in een draaiboek opgedeeld in 14 compartimenten. In Limburg, waar in 2021 zo'n 1.164 zwijnen werden geschoten buiten de leefgebieden, functioneert een netwerk van gekwalificeerde personen dat elk geschoten of dood gevonden zwijn beschouwt — “een extra set ogen in het veld in het kader van (vroeg)detectie van AVP”. Provincie Limburg is expliciet: het beheer buiten de leefgebieden dient veiligheidsrisico's, gewasschade én het voorkomen van ziekteverspreiding zoals AVP.
Of dat beheer werkt, is precies waar in Nederland de discussie woedt — en dat hoort in een eerlijk stuk thuis. Een kritische analyse vanuit Wageningen wijst erop dat de Faunabeheereenheid Gelderland zélf concludeerde dat de vier beheerdoelen (landbouwschade, natuurschade, schade aan de soort, aanrijdingen) “niet of nauwelijks zijn gehaald”, terwijl er jaarlijks duizenden dieren worden geschoten. De doelstand voor de Veluwe kroop in drie decennia op van 700 naar 1.350 dieren, zonder heldere onderbouwing, en meer afschot ging juist samen met méér aanrijdingen — beide hangen nu eenmaal samen met de zomerstand. De Dierenbescherming voegt daaraan toe dat hoge sterfte door jacht de voortplanting kan versnellen, en pleit voor het loslaten van de nulstand. Waar de een pleit voor lokaal maatwerk in plaats van een Veluwebrede aanpak, daar is de overkoepelende les voor AVP dat de dichtheid maar een deel van het verhaal is. Het monitoren met camera's is in dat debat het instrument van eerlijkheid: het laat zien of een reductie de aantallen echt verandert, vóór je er een seizoen werk in steekt. Vlaanderen koos overigens een andere koers: daar mikt het everzwijnplan uitdrukkelijk op “duurzaam samenleven” met de soort in plaats van op uitroeiing.

Zones, meldplicht en de rol van NVWA en FAVV
Al dat monitoren gebeurt binnen een gereguleerd systeem van zones. De basis is het Europese uitvoeringsverordening-kader, dat gebieden met beperkingen indeelt in zones I, II en III — waarbij zone III het hoogste risico draagt — en, bij een eerste uitbraak bij een wild zwijn in een tot dan toe vrij gebied, een aparte besmette zone. Een gebied kan pas worden afgeschaald na doorgaans minstens twaalf maanden zonder ziekte, in bepaalde gevallen teruggebracht tot drie maanden.
Hoe zo'n regime er in de praktijk uitziet, laat de Waalse noodwetgeving van 6 juni 2019 zien. Die definieerde drie operationele zones — besmette zone, versterkte observatiezone en waakzaamheidszone — met in alle drie een verbod op het bijvoeren van grofwild, een jachtverbod in de besmette zone, en beperkingen op welke honden bij drijfjachten mochten worden ingezet. In Nederland is het spiegelbeeld nog een voorbereiding: het plan van aanpak van 19 november 2025 brengt in kaart “hoe besmettingszones het beste ingericht kunnen worden” en treft voorbereidingen voor het plaatsen van rasters.
De meldplicht is de scharnier van het hele systeem, en de rolverdeling verschilt per land. In Nederland houdt de NVWA toezicht, bestrijdt uitbraken bij gehouden varkens en coördineert de wilde-zwijnenmonitoring. In België is dat de federale FAVV (in het Frans AFSCA), die de AVP-vrije status bewaakt en scherpe regels handhaaft — zo mag je binnen 72 uur na contact met een wild zwijn geen varkensbedrijf betreden. Dat die waakzaamheid geen formaliteit is, bewijst de kaart: in Duitsland circuleert het virus al jaren langs de Poolse grens, en in juni 2024 dook een besmet gebied op in Hessen, op zo'n 200 kilometer van België. En EU-breed steeg het aantal getroffen lidstaten in 2025 naar 14, mede doordat AVP na 31 jaar terugkeerde in Spanje. Waarom die meldingen van dode dieren zo zwaar wegen, vat één cijfer samen: passieve surveillance — dus juist die kadavers — spoorde in 2025 73 procent van alle uitbraken bij wilde zwijnen op.
Passieve bewaking vindt de meeste uitbraken: een dood gevonden zwijn is meer waard dan honderd geschoten exemplaren die alleen bevestigen dat een gezond zwijn gezond is.
Bioveiligheid van de wildcamera: een redenering naar analogie

Hier is eerlijkheid geboden, want dit is het punt waar overinterpretatie op de loer ligt. Geen enkele Nederlandse, Belgische of Europese regel die voor dit artikel is bekeken, benoemt het ontsmetten van een wildcamera. Er bestaat geen protocol “zo ontsmet je een camera tussen twee gebieden”, en wie het als kant-en-klaar voorschrift citeert, verzint iets. Wat er wél is, zijn de algemene bioveiligheidsregels voor materiaal, waaruit het criterium voor de camera zelf moet worden afgeleid. Wat volgt is dus een redenering naar analogie, geen citaat.
Het uitgangspunt is helder. Het handboek van FAO en WOAH stelt dat overdracht mogelijk is via “elk fomiet (waaronder besmette, levenloze voorwerpen die infectieuze organismen kunnen dragen, zoals schoenen, kleding, voertuigen, messen of uitrusting)”. Natuur en Bos noemt in Vlaanderen dezelfde route: onrechtstreeks contact “via mensen of via besmette schoenen, kleren, materialen of voertuigen”. De camera staat in geen van die opsommingen — maar een wildcamera is precies zo'n voorwerp, met dit verschil dat je hem bewust wekenlang laat hangen waar zwijnen passeren en sterven, om hem daarna elders neer te zetten. Het meest directe wat de bronnen zeggen, gaat trouwens niet over de camera maar over de mens die hem plaatst: volgens hetzelfde handboek verhoogt het bezoeken van een aas- of voerplaats “om camera's op te stellen” de kans dat je op besmet materiaal stapt en het virus meedraagt.
Naar analogie met die regels is het redelijke minimum dit:
- Behandel behuizing, beugel en band als te ontsmetten materiaal. Voordat je de camera vanuit een besmette of beperkte zone naar een ander gebied of in de buurt van varkens verplaatst, verwijder je organisch materiaal en neem je de behuizing en bevestiging af met een middel dat tegen het virus werkt — hetzelfde dat voor schoeisel en gereedschap geldt. Dat is een afleiding uit de analogie, geen letterlijk voorschrift.
- Hanteer kaarten en batterijen met schone, ontsmette handen. Als handen na elk veldcontact worden ontsmet, dan draagt het aanraken van een geheugenkaart met vuile handen het risico net zo goed over.
- Ga niet met de camera van het bos rechtstreeks naar de varkens. De veiligheidstermijn geldt voor mens én uitrusting: het handboek schrijft voor dat personeel dat in besmet gebied werkt 48 uur geen direct contact met gezonde varkens heeft; de Belgische regel voor een persoon is zelfs 72 uur na contact met een zwijn.
- Bedien de camera's zelden en gepland. Minder keren de zone in betekent minder kans op mechanisch transport — en meteen minder verstoring van schuwe dieren.
Dat dit geen theorie is, laat de praktijk zien: de Italiaanse ploeg die in besmet gebied werkte, ontsmette na elke veldsessie “laarzen, kleding en materialen met een Virkon S-oplossing”, en de Waalse zoekploegen werden dagelijks ontsmet terwijl jagers werden getraind in het ontsmetten van hun uitrusting. Niemand schreef “ontsmet de camera”, maar allen behandelden elk stuk uitrusting dat uit het besmette bos kwam als een mogelijke drager. De wildcamera hoort simpelweg in die verzameling. En waarom dat geen overdreven zorg is, verklaart de epidemiologie: het zwijn zelf verspreidt het virus traag en lokaal, terwijl de sprongen over grote afstand het werk van de mens zijn — via besmet voer, materiaal of voertuigen.
Het zwijn draagt AVP over een paar kilometer; de honderden kilometers legt de mens af — met besmet materiaal.
Wat werkt, en wat je niet moet verwachten

Tijd om de balans op te maken, want het is verleidelijk je in beide richtingen te vergissen.
Wat werkt, is een combinatie binnen het zonesysteem: het besmette gebied afrasteren, systematisch kadavers zoeken en verwijderen in de besmette zone, en de populatie reduceren in het aangrenzende gebied. Het is de weg die Wallonië AVP-vrij maakte — met een cameranetwerk dat de instortende bezetting documenteerde tot de erkenning van december 2020. Tot nu toe zijn alleen Tsjechië en België erin geslaagd de AVP-vrije status te heroveren; endemisch worden is elders het gebruikelijke lot. Dat er beweging in de goede richting zit, meldt ook EFSA, die voor 2025 “succesvolle regionale campagnes” tegen de ziekte bij wilde zwijnen registreert in Tsjechië en Zuid-Italië.
Wat je niet moet verwachten, is dat afschot of raster alleen het probleem oplost. AVP circuleert ook bij zeer lage dichtheden, geen enkel raster is langdurig waterdicht, en in het eerste jaar doet het virus meer dan de geweren. Voor Nederland en Vlaanderen — beide AVP-vrij — is de inzet daarom preventie en paraatheid: geen etensresten in de natuur, scherpe transporthygiëne, en een monitoringnet dat klaarstaat. De camera is daarin geen wondermiddel. Maar hij levert wat zonder hem elke beslissing een gok is: een geloofwaardig beeld van aantallen, groepsstructuur en activiteit, en de controle of kadavers en rasters werkelijk zijn waar je denkt. In een ziekte waarin de meest effectieve handeling is: een dood zwijn in een vochtig dal vinden vóór een gezond exemplaar er komt — is dat veel.
Veelgestelde vragen
Kan een wildcamera AVP bij een wild zwijn opsporen?
Nee. De camera stelt geen diagnose; alleen laboratoriumonderzoek van een monster bevestigt AVP. De wildcamera dient iets anders: aantallen en groepsstructuur schatten, kadavers en aaseters documenteren, en controleren of raster en bijvoerverbod werken.
Hoe schat je de dichtheid van wild zwijn met wildcamera's?
Meestal met het random encounter model (REM), dat de dichtheid berekent uit de frequentie van “ontmoetingen” met de camera, de loopsnelheid van de dieren en de detectiezone — zonder individuen te hoeven herkennen. Als alternatief tonen bezettingsmodellen de trend van aanwezigheid in besmet en vrij gebied.
Verspreiden aaseters AVP, dus moet je ze bestrijden?
Daar is geen grond voor. Cameraonderzoek bij kadavers wees uit dat aaseters (wasbeerhond, vos, raaf voorop) “een gering risico” vormen en de lokale persistentie van het virus zelfs kunnen verminderen door kadavers op te ruimen. Wat telt is het kadaver snel weghalen, want dáár zit het reservoir.
Wat doe je als je een dood wild zwijn vindt?
Laat het liggen, raak het niet aan, blijf er minstens vijf meter vandaan en markeer de plek onopvallend. Bel dan de provinciale zwartwildcoördinator (in Nederland) met de exacte locatie en het tijdstip; tref hygiënemaatregelen. In Vlaanderen meld je een dood everzwijn direct aan de bevoegde regionale autoriteit.
Hoe ontsmet je een wildcamera die tussen gebieden wordt verplaatst?
Geen regel beschrijft dit expliciet voor de camera — je past naar analogie de algemene bioveiligheid voor materiaal toe: verwijder organisch materiaal, neem behuizing en beugel af met een effectief middel, hanteer kaarten met schone handen en ga niet met de camera van het bos rechtstreeks naar varkens (48 tot 72 uur). Onderzoeksploegen ontsmetten na elke sessie hun hele velduitrusting.
Is Nederland op dit moment besmet met AVP?
Nee. Nederland en Vlaanderen zijn AVP-vrij; het risico zit aan de grens, met besmette gebieden in onder meer Duitsland. Het Nederlandse plan van aanpak van 19 november 2025 richt zich volledig op preventie en voorbereiding, mede omdat vaccineren niet kan: er is geen toegelaten vaccin.