De meeste mensen die “een wolf” denken te zien, zien een hond. Dat is geen belediging, maar simpele rekenkunde: in Vlaanderen lopen honderdduizenden en in Nederland ruim anderhalf miljoen honden rond, tegenover een paar honderd wolven. Een grote hondachtige die je in het bos ziet of op een wildcamera vastlegt, hoort dus met grote waarschijnlijkheid gewoon bij iemand thuis. En toch is de wolf sinds 2015 echt terug, broedt hij op de Veluwe en in Drenthe, en duikt hij sinds 2018 ook weer in Vlaanderen op. Leren onderscheiden wat je voor je hebt — een wolf, een grote hond of een vos — is daarmee een vaardigheid geworden die het waard is om te oefenen.
Het eerlijke antwoord op “is dit een wolf?” is bijna nooit een simpel ja of nee. Kenmerken en sporen van honden en wolven overlappen en worden gemakkelijk verwisseld; zelfs met DNA is niet altijd honderd procent uitsluitsel te krijgen, want honden stammen van wolven af en delen nog grote stukken van hun erfelijk materiaal. Een enkele pootafdruk of één cameravalbeeld beslist het zelden. Wat wél werkt, is systematisch kijken: naar het dier zelf, naar het hele loopspoor, naar de uitwerpselen — en, als het er echt toe doet, naar het DNA. Deze gids zet dat op een rij, en behandelt zonder omwegen de vraag die iedereen stelt: hoe gevaarlijk is die wolf nu eigenlijk?
Een wolf, een grote hond of een vos?
Begin bij het dier zelf, als je het geluk hebt het te zien. Een wolf is een middelgroot roofdier met een schouderhoogte van ongeveer 65 tot 80 cm; reuen wegen zo’n 45 kilo, teven rond de 40. Hij lijkt op een grote hond, maar verraadt zich door de grote kop met breed voorhoofd, de relatief korte oren, een hoge, smalle borstkas en een langere romp. BIJ12 vat de kenmerken bondig samen: een rechte rug, een volle, hangende staart met zwarte punt, een dikke nek, een beige tot rossig-bruine vacht, opvallend lange en sterke poten, en scheve, vaak gele ogen op een brede kop waar de vacht rond de bek vaak wit is.
Het meest bruikbare onderscheid met een grote (herders)hond zit in de staart. Een wolf laat de staart in rust hangen; een hond draagt hem vaak opgekruld of omhoog. De staart beweegt bij een wolf bovendien weinig en is borstelig, en meet ongeveer een derde van de lichaamslengte. Let ook op de oren: klein, rechtop, afgerond aan de top en ver uit elkaar — niet de lange, spitse, dicht opeenstaande oren van veel honden.
Verwarrend zijn juist de rassen die op een wolf zijn gaan lijken. Husky’s, malamutes en laika’s hebben een wolfachtig uiterlijk behouden, en kruisingen tussen herdershonden en wolven kunnen er bijna niet van te onderscheiden zijn. Een klassieke valkuil is de Tsjechoslowaakse wolfhond: ogenschijnlijk een wolf, maar te herkennen aan de smallere kop, de te bleke flankkleur en een contrastrijke, gitzwarte staartpunt die een echte Europese wolf mist.
En dan is er nog de vos. Die is veel kleiner, maar zijn spoor en uitwerpselen kunnen bij jonge wolven voor verwarring zorgen (daarover later meer). Ter oriëntatie: een vos heeft een slanke borst met de voorpoten dicht bijeen, een smalle snuit en een ruige staart met vaak een contrastrijke witte punt die tot op de grond reikt. De goudjakhals ten slotte — ook in de Lage Landen inmiddels een dwaalgast — lijkt op een kleine wolf, maar heeft verhoudingsgewijs kortere poten, staart en oren en een spitsere snuit.
Draagt het dier de staart opgekruld of omhoog? Dan kijk je vrijwel zeker naar een hond, niet naar een wolf.
Sporen lezen: de pootafdruk
Je ziet zelden een wolf; veel vaker vind je zijn sporen. De pootafdruk is de bekendste, en meteen de meest overschatte. Wolvenprenten vallen op door hun grootte: de voorvoet van een volwassen dier is al snel 9 tot 11 cm lang. De Duitse en Zwitserse monitoringcentra, die dezelfde Centraal-Europese wolven volgen als waar de Nederlandse dieren vandaan komen, meten de voorpoot zonder nagels op 8 tot 12 cm lang en 7 tot 11 cm breed, met de achterpoot doorgaans een centimeter kleiner. De grootste maat hoort bij een fors mannetje, de kleinste bij een tenger vrouwtje. Ter vergelijking: een vossenvoorvoet is met zo’n 5 cm ongeveer half zo lang, en alleen de allergrootste hondenrassen — Deense doggen, sint-bernards — halen wolvenmaten.
De vorm helpt verder. Omdat een wolf zijn tenen samenknijpt om kracht te maken, is de afdruk een langwerpig ovaal of druppelvorm, langer dan breed. Daardoor kun je in de prent van een wolf diagonale lijnen als een X tekenen zonder de teenkussens te raken — de “X van fox”, want een vossenprent heeft dezelfde vorm, alleen kleiner. Bij een hond staan de middelste tenen wat verder naar achteren; daar snijden diezelfde lijnen door de kussens en moet je in het midden horizontaal gaan. Zo ontstaat een naar buiten gekromde H — de H van hond. Ook de nagels vertellen iets: bij een wolf zijn ze lang, scherp en recht ingeplant, terwijl honden vaak stompere, krommere nagels hebben die “alsof iemand met een balpen in de grond heeft geprikt” in de afdruk staan.
Klinkt overtuigend — en toch is dit precies waar het mis kan gaan. Fitte honden knijpen hun tenen óók samen en laten dan een X na, en jonge wolvenwelpen kunnen juist een H tonen. De kruislijnmethode is een nuttige eerste indicatie, geen bewijs: grote honden met compacte poten laten wolfachtige sporen achter. De eerlijke vuistregel van een tracker vat het samen: heeft een prent typische hondenkenmerken, dan is het geen wolf; maar heeft een prent álle kenmerken van een wolf, dan kan het nog steeds een grote, fitte hond zijn.

Het loopspoor: gangen en paslengte
Daarom kijkt een ervaren spoorzoeker niet naar één prent, maar naar het hele loopspoor. Daar zit het echte onderscheid. Een wolf heeft drie basisgangen: stap, draf en galop. In stap zet hij zijn achtervoet netjes in de afdruk van de voorvoet aan dezelfde kant — een dubbelprent, soms met een dubbele rij nagels. De draf is zijn lievelingsgang: die houdt hij urenlang vol en legt zo tot 80 kilometer per etmaal af. In draf beweegt hij twee diagonale poten tegelijk en komt de achtervoet opnieuw in de voorvoetafdruk terecht. Bij WolfGezien.nl heet dat “registertreden”; het levert een spoor op dat lijkt alsof het dier maar twee poten heeft.
De maten die dan tellen zijn de paslengte en de rechtheid van het spoor. Een dravende wolf heeft een paslengte — de afstand tussen twee opeenvolgende afdrukken van dezelfde kant — van ongeveer 110 tot 150 cm. Een tracker die op de Veluwe wolvensporen opmat, noemt 130 cm een typische waarde; de Duitse richtlijn houdt in draf ongeveer één meter aan. En, minstens zo belangrijk: een wolf loopt doelgericht. Weinig of niets leidt hem af, want anders dan een huishond weet een wilde wolf niet wanneer hij weer eet; energie verspillen is geen optie. Zijn spoor blijft kilometers kaarsrecht, terwijl de doorsnee hond van prikkel naar prikkel schiet en voortdurend van gang wisselt.
Hoe streng het echt wordt, laat het Zwitserse KORA zien, dat internationaal geldt als een gezaghebbende standaard voor het bevestigen van grote roofdieren. Pas als een spoor over minstens 100 meter in gesnoerde draf is gevolgd, met dubbeltrittsiegels van minstens 8 cm lang en een spoormaat van minstens 1,10 m (in het voorbeeld van KORA 1,30 m), mag het een wolvenspoor heten. Die spoormaat is de lange, regelmatige tred van de dravende wolf, niet de afdruk zelf — en om een hond met zekerheid uit te sluiten, moet zo’n spoor soms honderden meters tot kilometers worden uitgelopen, wat vooral in verse sneeuw lukt. Kortom: één mooie prent op je telefoon is een begin, geen conclusie.
Eén mooie afdruk is een begin, geen conclusie. Pas het hele spoor — kilometers kaarsrecht — maakt de wolf waarschijnlijk.
Uitwerpselen en andere sporen

Uitwerpselen — keutels — zijn vaak veelzeggender dan prenten, en bovendien de bron van bruikbaar DNA. Gevestigde wolven wíllen dat hun keutels worden gevonden: ze markeren er hun territorium mee en leggen ze daarom op opvallende plekken, midden op paden en kruisingen of op wildwissels. Een volwassen wolvenkeutel is fors: een totale lengte van minstens 20 cm en in verse toestand minstens 2,5 cm dik, vol haren en botresten van prooidieren. De Zwitserse maat rekent per stuk — segmenten van 4 tot 15 cm, ongeveer 2 tot 4 cm dik, vaak met een spits toelopend uiteinde. Verse keutels zijn bijna zwart door bloed en orgaanvlees; oudere verbleken tot grijs of bijna wit door de kalk, en heel oude keutels bestaan uiteindelijk nog slechts uit “haren en bot”. In de haarresten zitten typisch ree, damhert, edelhert, everzwijn en haas.
Twee waarschuwingen horen hierbij. Ten eerste: keutels van jonge, nog niet volgroeide wolven kunnen in de zomer en herfst kleiner zijn dan de minimummaat, en dan lijken ze op die van een vos. Ten tweede: raak een wolvenkeutel niet aan. Niet alleen zit het bruikbare DNA in het verse darmslijmvlies dat specialisten willen bemonsteren, ook kan de keutel eitjes van de vossenlintworm bevatten die je bij inademen beslist niet binnen wilt krijgen. Vind je een bruine of gele drol die stinkt en géén haren of botresten bevat? Dan heb je gewoon een hondendrol gevonden.
Naast keutels markeren wolven met urine — in sneeuw geel en zichtbar, en ook goed voor DNA — en met krabsporen: parallelle groeven van zo’n 30 tot 60 cm die ze met de achterpoten trekken, meestal in combinatie met een keutel of plasje. Losse krabplekken zonder verdere sporen zijn voor de meldpunten weinig waard; gecombineerd met een kansrijke prent of keutel juist wél.
Het eerlijke probleem: DNA is de scheidsrechter
Alle bovenstaande kenmerken samen maken een wolf wáárschijnlijker, maar zelden zéker. Welkom Wolf stelt het onomwonden: enkele individuele prenten volstaan nooit om met zekerheid wolf van hond te scheiden, want dit is geen exacte wetenschap en er is altijd ruimte voor twijfel en interpretatie. Dezelfde eerlijkheid klinkt door in de mainstream media uit het wolvengebied zelf: één kenmerk maakt nog geen wolf, en de kans is groot dat je met een hondenspoor te maken hebt. Zo bezien is ook een cameravalbeeld gewoon één aanwijzing tussen vele — waardevol, maar op zichzelf zelden beslissend.
Wat dan wél uitsluitsel geeft, is DNA — met een belangrijke nuance die vaak wordt gemist. Op een gedood schaap kan het laboratorium van Wageningen (WENR) met zekerheid vaststellen of een wolf, een hond of een ander dier de dader was: het wolven-DNA is daar niet vermengd met dat van een nauwverwante soort. Bij een aangevallen hónd werkt diezelfde methode juist niet. Omdat honden van wolven afstammen, is eventueel wolven-DNA op een hond altijd sterk vermengd met honden-DNA; de uitslag luidt dan “hond” of is niet te interpreteren. Een wolf-hondincident valt daarom niet met DNA te bevestigen — daarvoor moet je terugvallen op sporen, verwondingen, zichtwaarnemingen en cameravalbeelden.
En de kruising, de wolf-hondhybride? Ook die is met het blote oog of op een prent niet vast te stellen — alleen in het DNA. In opdracht van de provincie Gelderland onderzocht een Sloveens laboratorium het erfelijk materiaal van elf dood gevonden wolven; bij de negen bruikbare monsters werd geen hybridisatie aangetoond, en bleken de Nederlandse wolven het nauwst verwant aan de Duitse en Poolse populaties. Dat is de huidige stand van het bewijs, geen eeuwige garantie — en het onderstreept nog eens dat het laatste woord bij de genetica ligt, niet bij een foto.
Op een gedood schaap wijst het DNA de dader aan; op een gebeten hond zwijgt het.
Prooiresten: wolf, hond of vos aan een kadaver

Bij een gedood dier verschuift de vraag van “welke soort liep hier?” naar “welke soort doodde hier?”. Ook dat is af te lezen, al blijft voorzichtigheid geboden. Een wolf doodt met een keelbeet, opent borst- en buikholte en legt maag en darmen ernaast; hart, lever en borstbeen worden gegeten, het vel wordt netjes afgestroopt, de ribben afgekloven, terwijl hals, kop en vaak de poten intact blijven. Een hond doodt anders: door vele beten en oppervlakkige wonden, soms door het dier dood te schudden, met veel losliggende wol en zonder de ingewanden apart te leggen. Een vos ten slotte eet een grotere prooi meestal als aas en begint bij de zachte delen — lippen, tong, anus — en vreet het dier zo van binnenuit leeg.
Toch waarschuwt het Zwitserse KORA nadrukkelijk dat wolven- en hondenrissen “moeilijk te onderscheiden” zijn: ook de hond is een hetzjager, en ook dan kan de prooi verwondingen over vrijwel het hele lichaam vertonen. Juist daarom geldt bij een dood dier: raak zo min mogelijk aan en zorg dat alle sporen worden veiliggesteld voor onderzoek. Het patroon wijst een richting; het laboratorium levert het bewijs.

Gedode schapen, dieet en tegemoetkoming
Hier ligt het scherpst wat de wolf zo’n beladen onderwerp maakt — en hier is de kans op misverstanden het grootst. Twee feiten die op het eerste gezicht botsen, zijn allebei waar. Enerzijds eet een wolf vooral wild: in een onderzoek aan 735 keutels bleek op de Veluwe ruim 60 procent van de keutels resten van wild zwijn te bevatten, en bestond het dieet daar voor 96 procent uit wilde hoefdieren. Anderzijds zijn het bijna altijd schapen die als slachtoffer opduiken: volgens een factsheet van BIJ12 betrof 97 procent van de ruim 3.000 met DNA bevestigde aanvallen op landbouwhuisdieren in Nederland over 2015–2023 schapen, 2 procent runderen en 1 procent paarden en pony’s.
Dat is geen tegenspraak. Schapen staan zelden op het menu, maar zijn wél kwetsbaar: ze herkennen een wolf niet als gevaar, reageren onvoldoende omdat ze aan honden gewend zijn, en kunnen in het versnipperde Nederlandse landschap nergens heen. Bovendien doodt een wolf soms meer dieren dan hij opeet — “surplusdoden”, een natuurlijke reflex om voorraad aan te leggen — zodat de afwezigheid van schapenresten in keutels níet betekent dat er geen aanvallen waren. Vooral zwervende, jonge wolven zonder vast territorium vallen relatief vaak vee aan, terwijl gevestigde wolven met voldoende wild in de buurt het vee meestal laten lopen. Niet toevallig bepaalt de wilddichtheid in een gebied sterk of vee wordt aangevallen: hoe meer ree, hert en zwijn, hoe kleiner de kans.
Voor wie vee houdt, is dit het punt waarop preventie en tegemoetkoming samenkomen. Onvoldoende beschermd vee is het kwetsbaarst, en de meest gebruikte bescherming is een elektrisch wolfwerend raster: BIJ12 adviseert bijvoorbeeld vijf draden op 20, 40, 60, 90 en 120 cm, met een spanning van minimaal 4.500 volt. De meeste wolven proberen namelijk niet eroverheen te springen, maar eronderdoor te kruipen — een raster is dus zo sterk als de laagste draad. Bij een schademelding neemt een taxateur binnen 24 uur een DNA-monster af, en juist omdat dat DNA op vee betrouwbaar is aan te tonen, is het de basis voor de tegemoetkoming in de schade. In Vlaanderen loopt een vergelijkbaar spoor: sneller geplaatste wolfwerende omheiningen en het recht op een schadevergoeding voor wie toch getroffen wordt.
Schapen zijn zelden op het menu, maar vaak het slachtoffer — dat is geen tegenspraak, maar de kern van het conflict.
Hoeveel wolven, en hoe weten we dat?
Een cijfer met een jaartal erbij is het enige eerlijke cijfer. Volgens de Jaarrapportage wolven 2025 van BIJ12, gepubliceerd in april 2026, zijn in 2025 in Nederland 131 verschillende wolven met DNA-onderzoek aangetoond, en leven er naar schatting 14 roedels (ouderparen), waarvan er in tien welpen zijn bevestigd. Sinds 2015 zijn in totaal 259 verschillende wolven vastgesteld, afkomstig uit Nederland (56 procent), Duitsland (18 procent) en België (6 procent), of van onbekende herkomst (19 procent). Het verhaal begon in 2015, met de eerste vestiging op de Veluwe in 2018 en het eerste ouderpaar in 2019 — twee uit Duitsland afkomstige wolven die inmiddels minstens acht à negen jaar oud zijn, terwijl een wolf in het wild gemiddeld zes jaar wordt.
Wat opvalt in diezelfde rapportage: de grootste doodsoorzaak is niet de jager of de stroper, maar het verkeer. In 2025 kwam 69 procent van de dode wolven om in het verkeer; daarna volgt (vermoedelijke) agressie of onderlinge concurrentie tussen wolven. Ook in Vlaanderen vormen aanrijdingen door auto’s en vrachtwagens in West-Europa de grootste doodsoorzaak.
De ruggengraat van al die tellingen is genetica, niet het turven van pootafdrukken. Individuen worden op basis van DNA uit keutels, urine en prooiresten van elkaar onderscheiden; in Vlaanderen hanteert het INBO daarvoor de Centraal-Europese monitoringstandaard met C1- en C2-categorieën, en gelden heldere definities: een gevestigde wolf is minstens zes maanden in hetzelfde gebied bevestigd, een gevestigd paar bezet en markeert samen een territorium, en pas als er jongen zijn spreken we van een roedel. Daarnaast leveren zenders spectaculaire inzichten. Sinds oktober 2025 volgt Wageningen University in Nationaal Park De Hoge Veluwe wolven, prooidieren én bezoekers: er zijn vijf herten en één wolf gezenderd, en ruim 400 bezoekers droegen vrijwillig een GPS-tracker. Die ene gezenderde wolf legde in drie maanden 2.528,5 kilometer af door vier provincies, gemiddeld 30 kilometer per dag, zwom de IJssel over en stak snelwegen altijd ’s nachts over.
En de wildcamera? Die past in dit plaatje als hulpmiddel, niet als hoofdrolspeler. Cameravalbeelden gelden — net als sporen en zichtwaarnemingen — als bewijs dat mee kan wegen in de beoordeling van een melding. Maar zoals we zagen, beslist één beeld het wolf-of-hondvraagstuk zelden op zichzelf; de genetica doet dat. Een camera is vooral sterk in het documenteren dát er iets passeerde, en op welk moment.

Veiligheid: wat zegt het bewijs echt?
Geen onderwerp trekt zoveel folklore aan als dit, dus laten we bij de feiten blijven. Wolven mijden mensen: ze merken je meestal eerder op dan jij hen, en vluchten of verstoppen zich dan. Een wolf ziet een mens of kind niet als prooi en handelt vooral uit zelfbescherming. Gevallen waarin een wolf een mens aanvalt zijn extreem zeldzaam; meestal gaat het niet om een aanval maar om een dier dat zijn welpen beschermt of dat door mensen in het nauw is gedreven.
Hoe zeldzaam “extreem zeldzaam” is, laat de meest grondige Europese telling zien — nadrukkelijk buitenlandse cijfers, verzameld door het Noorse onderzoeksinstituut NINA. Over de periode 2002–2020 vonden de onderzoekers wereldwijd 489 redelijk betrouwbaar gedocumenteerde slachtoffers, waarvan het overgrote deel (380) door hondsdolle wolven — een risico dat in West-Europa vrijwel is uitgesloten door de uitroeiing van rabiës. Voor Europa en Noord-Amerika samen vonden ze in die 18 jaar slechts 12 aanvallen met 14 slachtoffers, waarvan 2 dodelijk (beide in Noord-Amerika) — dit tegenover ongeveer 15.000 wolven in Europa en 60.000 in Noord-Amerika die de ruimte delen met honderden miljoenen mensen. Het risico is dus zeer klein. Maar het is niet nul, en dat is precies waarom “mijdt mensen” nooit “ongevaarlijk” mag gaan betekenen.
Waar het risico wél toeneemt, is bij gewenning. Zolang een wolf mensen als een potentiële bedreiging blijft zien, blijft hij de confrontatie mijden; het gevaar schuilt in habituatie — het afleggen van schuwheid, bijna altijd door menselijk toedoen. Onderzoekers spreken van een “brutale wolf” (bold wolf) wanneer een dier vrijwillig en herhaaldelijk herkenbare mensen binnen 30 meter tolereert of tot op die afstand benadert; dat kan gevaarlijk worden als het escaleert. De grootste risicofactor is voedselconditionering: wolven die als jong dier door mensen zijn gevoerd en die daarna, als de verwachte beloning uitblijft, opdringerig of zelfs agressief kunnen worden. Vandaar de ijzeren regel: benader niet, voer niet. Een hardnekkig misverstand is trouwens dat bejaging wolven schuwer en dus veiliger maakt; daar is wetenschappelijk geen onderbouwing voor, zoals ook brutale, aan mensen gewende vossen en wilde zwijnen ondanks intensief beheer elk jaar opduiken.
Dat het geen theorie is, bleek in 2025 op de Utrechtse Heuvelrug. Na incidenten geldt daar sinds dat jaar van 15 maart tot 15 september een aanlijnplicht voor honden, en op 30 juli 2025 vond bij de Pyramide van Austerlitz een incident plaats met een kind en vermoedelijk een wolf, waarna de provincie opriep de bossen daar met kinderen te mijden. Kom je toch een wolf tegen, dan is het advies eenvoudig: blijf rustig, houd minimaal 100 meter afstand door langzaam achteruit te lopen, ga niet rennen, en houd je hond kort aangelijnd. Dat laatste is niet overbodig: een mens alleen wordt zelden benaderd, maar in gezelschap van een hond is de kans iets groter, omdat een wolf in een hond een partner of een concurrent kan zien — en een eventuele aanval is dan altijd op de hond gericht, nooit op de mens.
Wolven mijden mensen. Maar “mijdt mensen” is iets anders dan “ongevaarlijk” — en dat verschil zit hem in ons gedrag, niet in het hunne.
Beschermde status: wat mag wel en niet

De wolf is streng beschermd, en die bescherming is de laatste jaren in beweging. Twee juridische sporen lopen naast elkaar. Onder de Conventie van Bern is de status per 7 maart 2025 gewijzigd van “strikt beschermd” naar “beschermd”. De Europese Habitatrichtlijn volgde op 14 juli 2025 met dezelfde afwaardering, van “strikt beschermd” naar “beschermd”. Belangrijk: ook ná die wijziging blijft de wolf een beschermde soort onder zowel EU-wetgeving als het Verdrag van Bern; lidstaten moeten de staat van instandhouding blijven monitoren, en het compenseren van wolvenschade blijft mogelijk. De aanpassing biedt vooral meer ruimte om de populatie waar nodig te beheren.
In Nederland is de bescherming verankerd in de Omgevingswet, en op het moment van schrijven werkt het Rijk de gewijzigde Habitatrichtlijn nog om in nationale regelgeving via een Algemene Maatregel van Bestuur, die “over enkele maanden” in werking treedt. Tot die tijd geldt een overgangsperiode waarin het doden of verstoren van wolven en hun leefgebied strafbaar blijft. In Vlaanderen geeft de Europese Habitatrichtlijn de wolf al sinds 1992 een beschermd statuut. “Verjagen” is aan strikte regels gebonden: een wolf van eigen erf weren om een gevaarlijke situatie te voorkomen mag zonder vergunning, maar hem doelbewust bang maken voor mensen of uit zijn leefgebied verdrijven is wettelijk verboden en vergunningplichtig. Kort gezegd: kijken, documenteren en melden mag altijd; ingrijpen is aan de overheid.
Veelgestelde vragen
Hoe zie ik het verschil tussen een wolf en een grote hond?
Een wolf is groter (tot 80 cm schouderhoogte), heeft een rechte rug, een dikke nek, lange poten en een volle, laag gedragen staart met donkere punt; een hond draagt de staart vaak opgekruld of omhoog. Let wel: rassen als de husky of de Tsjechoslowaakse wolfhond lijken sterk op een wolf, dus twijfel blijft mogelijk.
Hoe groot is een wolvenpootafdruk, en bewijst één afdruk een wolf?
De voorpoot is ongeveer 8 tot 12 cm lang (zonder nagels), langer dan breed, met scherpe nagels. Maar één afdruk bewijst niets: fitte honden laten identieke prenten na, en pas een loopspoor dat kilometers kaarsrecht doorloopt maakt een wolf waarschijnlijk.
Kan DNA met zekerheid zeggen of het een wolf was?
Op een gedood schaap wel: daar kan het laboratorium wolf, hond of ander dier betrouwbaar onderscheiden. Bij een aangevallen hond niet, omdat wolven- en honden-DNA dan onontwarbaar vermengd zijn — en zelfs in het algemeen geeft DNA niet altijd honderd procent uitsluitsel, doordat honden van wolven afstammen.
Eten wolven vooral schapen?
Nee. Op de Veluwe bestaat het dieet voor 96 procent uit wilde hoefdieren zoals wild zwijn en ree. Toch is 97 procent van de met DNA bevestigde aanvallen op vee gericht op schapen: die zijn kwetsbaar en slecht beschermd, ook al vormen ze maar een klein deel van het menu.
Hoe gevaarlijk is een wolf voor mensen?
Aanvallen zijn extreem zeldzaam: in Europa en Noord-Amerika samen documenteerde het Noorse NINA over 2002–2020 slechts 12 aanvallen, waarvan 2 dodelijk (beide in Noord-Amerika) — bij tienduizenden wolven. Wolven mijden mensen, maar dat is niet hetzelfde als ongevaarlijk: voer nooit een wolf en houd afstand.
Wat moet ik doen als ik denk een wolf(spoor) te zien?
Blijf rustig, houd minstens 100 meter afstand, ren niet en houd je hond kort aangelijnd. Raak keutels of prooiresten niet aan (belangrijk DNA, en risico op de vossenlintworm), maak zo mogelijk een foto met een voorwerp van bekende maat ernaast, en meld je waarneming bij het Wolvenmeldpunt.